‘Als ik moet sjouwen, dan sjouw ik’

, arts zonder grenzen, hielp deze zomer bootvluchtelingen uit de Middellandse Zee. Het was veel moeilijker dan ze had gedacht.

; onder Erna Rijnierse aan boord van reddingsschip de Phoenix.

Toen Erna Rijnierse dit voorjaar weer even terug was in Amsterdam, op het kantoor van Artsen zonder Grenzen, vroeg haar baas of ze snel zeeziek werd. „Op de boot naar Texel gaat het altijd prima”, was het antwoord. En zo kwam het dat ze op 2 mei de haven van Malta uitvoer, op een reddingsschip voor bootvluchtelingen. „Onze bazen spelen Risk met onze foto’s op de pionnetjes”, grapt Rijnierse, 44 jaar en met een ogenschijnlijk onverwoestbaar goed humeur. Soedan, Gambia, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Jordanië, de ebola-epidemie in westelijk Afrika: sinds 2011 werkt Rijnierse voor het noodhulpteam van Artsen zonder Grenzen. Eén telefoontje en ze is weg. „Ik hoef niet zo veel luxe’’, zegt ze. „Feet in the mud and hands in the blood, dat is mijn natuurlijke habitat.”

De zomer heeft ze grotendeels doorgebracht op de Phoenix, de boot die Artsen zonder Grenzen en de Maltese stichting Moas hadden uitgerust om vluchtelingen op te pikken die vanuit Libië naar Italië probeerden te komen.

„Het was veel moeilijker dan ik had gedacht”, vertelt ze. „Meestal zitten we in een vluchtelingenkamp in beroerde omstandigheden. Nu hadden we een kok en kregen we vis en dat soort zaligheden. Toch herinner ik me vooral de wanhoop van die mensen. De eerste redding was indrukwekkend, toen hebben we 369 mensen van een wankel bootje gehaald. Ik dacht, ik ga een triage doen, kijken wie je meteen moet helpen en wie even kan wachten. Maar het is zo verschrikkelijk vol dat het enige wat je kunt doen, is vragen of er iemand ziek is, en dan maar hopen dat iemand die het nodig heeft uit die massa naar voren komt.”

Als ze berichten kregen over een vaartuig in nood, meestal via de Italiaanse kustwacht, ging er vanaf de Phoenix eerst een klein opblaasbootje naar toe. „Dan werd uitgelegd wie we zijn en dat we komen helpen, en vragen we of er mensen erg ziek zijn, of gewond.” In groepjes van vijftien à twintig man werden ze dan overgevaren naar het moederschip.

Het kan uren duren

Rijnierse vertelt dat ze daarbij ondanks de hitte altijd een beschermend wit pak aanhad, voor de hygiëne. „Die mensen hebben vaak uren op zo’n bootje gezeten. Veel van hen hebben het in hun broek gedaan. Dat kunnen ze niet helpen, maar je moet er wel op letten. Anderen hadden brandwonden doordat ze op klotsende vaten met benzine hadden gezeten die op hun huid was gekomen.”

Het kan uren duren, zo’n reddingsactie. Eén boot leek maar niet leeg te komen. „ Wij hadden alleen het bovendek gezien. Maar benedendeks zat het ook nog helemaal vol.” Eenmaal aan boord op de Phoenix was er een vaste procedure. „Omdat we nog in de nadagen van ebola zaten, screenden we iedereen die aan boord kwam op koorts.”

Daarna kwam er een toespraakje. „We legden de mensen uit hoe ze het toilet moesten gebruiken, op elk dek één. Dat wie klachten had, welkom was in de kliniek. En we onderstreepten ook dat iedereen gelijk behandeld wordt. Belangrijk, want je hebt de hele kaart van Afrika aan boord en niet iedereen heeft meteen in de gaten dat het niet meer ieder voor zich is.”

Iedereen kreeg een rescue kit met twee flesjes water, een handdoek, een witte overall, een paar Noorse sokken, en een pak BP-5, een noodrantsoen met negen calorierepen. „De mensen werden daar rustig door. De meesten hadden helemaal niets bij zich, maar nu kregen ze iets in handen. Allemaal, ze hoefden er niet om te vechten. Een van de belangrijkste dingen is dat je rust creëert. En als je dan de volgende dag met ze sprak, zeiden ze dat ze in maanden niet zo goed hadden geslapen. Op een stalen dek! Maar dat kwam omdat ze zich eindelijk veilig voelden. Indrukwekkend.”

Grote rampen heeft Rijnierse deze zomer niet meegemaakt, al is de Phoenix toen zij even in de Centraal-Afrikaanse Republiek was, wel gestuit op een boot met 52 mensen die benedendeks door verstikking om het leven waren gekomen. Medisch gezien was het veel routinewerk. Ze herinnert zich nog de jongen die met twee stukken karton en een rood doekje zijn eigen spalk had gemaakt, voor een gebroken been. Dat moest opnieuw worden gezet.

Schurft

Bij aankomst in de Italiaanse havens is steeds intensief gecontroleerd op schurft. Rijnierse haalt daar haar schouders over op. „ We hebben het uiteindelijk scabola genoemd, wegens de enorme angst daarvoor. Veel mensen hadden vastgezeten in Libië, onder vaak erbarmelijke omstandigheden, en hebben daar schurft van gekregen. Vervelend, maar ik heb er nog nooit iemand aan dood zien gaan. Treat first what kills first. Maar een van de weinige woorden die ik ken in het Eritrees is nu wel hakaki, jeuk. Als mensen met schurft van boord gingen, gaf ik ze een teken op hun hand. We hadden hun uitgelegd dat ze even apart gezet zouden worden. Het is goed te behandelen.”

Rijnierse is in die maanden op zee zelf niet zeeziek geworden. „Al hebben we er wel een reis bij gehad die we vijftig tinten groen hebben gedoopt. Als er van die lange hoge golven zijn voor de kust van Libië, met zes meter hoogteverschil, dan is het pittig. Ik heb er niet echt last van gehad. Maar je moet er niet aan denken dat je dan in zo’n klein bootje zit.”

Is ze trots op haar onverzettelijkheid? „Welnee. Vriendinnen vragen me wel eens: hoe zit dat dan met douchen en wc? Dan zeg ik: lieve schat, ik zit niet de hele dag op de wc.” Ze praat het ontzag weg. „Je moet flexibel zijn. Als ik een tent moet opzetten, zet ik een tent op. Moet ik dozen sjouwen, dan sjouw ik dozen. Als ik pillen moet tellen, tel ik pillen. En als ik moet opereren, opereer ik.”

Even later vertelt ze hoe ze eens in Zuid-Soedan zat in een kamp waar de tenten lekten. „Iedereen zat er een beetje zompig bij. Toen zei ik: ik heb nou een tent met een eigen zwembad” Op de vraag of dit werk haar niet aangrijpt, had ze gezegd: „Als ik niet drie keer per dag kan lachen, houd ik het niet vol.”

Wat heeft ze geleerd in de afgelopen maanden? „Never assume anything. Je kunt denken als je een vrouw ziet, dat is een jonge moeder die met haar kind gevlucht is, maar het is wel een ingenieur. Ieder verhaal is anders. En net als in het gewone leven: niet alle vluchtelingen zijn even aardig, en je heb er slimme en minder slimme onder. De essentie is dat het gaat om mensen als jij en ik die geen andere manier zien om dit te doen dan een hachelijke tocht over zee te maken. Dat zie ik te weinig terug in de discussie.”