Brieven

Ons beleid is juist effectief

Het artikel over fraude en corruptie bij de Nederlandse ontwikkelingshulp aan de watersector in Benin komt met de conclusie dat de zwakte van het Nederlandse beleid – het overdragen van de verantwoordelijkheid van projecten en programma’s aan de lokale overheid – nu is blootgelegd (12/12). De aangedragen feiten bewijzen echter in mijn ogen juist het tegengestelde. Eerst nog: dit beleid was niet het gevolg van het rapport van de WRR uit 2011, maar was al door minister Herfkens eind jaren ’90 met stevige hand ingezet. Zij wilde af van de duizenden projecten die ook Nederland uitvoerde en hulp direct naar het budget van hulpontvangende landen en hun ministeries laten gaan. Het WRR-rapport heeft tot geen enkele beleidswijziging geleid. Een tiental internationale evaluatierapporten toont aan dat alle angst over het geven van hulp in de vorm van budgetsteun en het geven van de verantwoordelijkheden aan de lokale overheden zwaar overdreven is en was. Overheden van hulpontvangende landen zijn juist meer uit gaan geven aan de sociale sectoren (waaronder water), zijn ook meer belasting gaan innen en hebben fraude en corruptie meer en harder aangepakt. Corrupte politici en ambtenaren hebben het juist gemakkelijker als ontwikkelingshulp versnipperd is over duizenden projecten, omdat controle dan moeilijker is. Het ‘geval Benin’ bewijst eveneens dat corruptie eenvoudiger kan worden ontdekt en dat een donor vervolgens stevige maatregelen kan eisen van de lokale regering (veel eerder dan bij een incident in een van de duizenden projecten). Het Nederlandse beleid faalt hier dus niet, maar is juist effectief.

Basisinkomen

Voor wie het echt nodig is

Er lijkt zich een nieuwe situatie te ontwikkelen: hoewel de economie weer aantrekt, blijft het aantal werklozen onveranderlijk hoog.

Computerisering en robotisering werpen hun schaduw vooruit. Met een beperkt aantal werknemers kan een overvloed aan producten en diensten voortgebracht worden. De vraag is dan: wie mag daarvan profiteren en wie niet.

Het aloude idee van een basisinkomen dient opnieuw onderzocht te worden om daar een betaalbare vorm voor te vinden (Zie ook NRC Handelsblad van 7 december: Basisinkomen– Finland wil gratis geld geven aan burgers).

Dat kan door een basisuitkering alleen te verstrekken aan hen die het nodig hebben. En wel zó dat klaplopen wordt voorkomen.

Om frictie tussen net wel en net geen uitkering te voorkomen, is een geleidelijke overgang nodig zodat bij toenemend looninkomen een toenemend deel van de uitkering wordt ‘afbetaald’.

Maar toch zo dat de prikkel om meer te verdienen blijft bestaan; bijvoorbeeld met een ‘vrijlatingspercentage’ van vijftig procent. Bij een inkomen op het dubbele van de uitkering is die dan afbetaald.

Met een voldoende hoge uitkering hoeft arbeid dan niet langer een leefbaar inkomen op te leveren zodat ook werk onder het minimumloon acceptabel wordt.

En dan openen zich ruime arbeidsmogelijkheden. Iedereen dient een bijdrage naar vermogen te leveren, maar de sociale dienst bepaalt in hoeverre in individuele gevallen een sollicitatieplicht zinnig is.

G. Bosch