Column

Verloren generatie

Een nog jonge man, militair van beroep, maakte mij deelgenoot van zijn sombere gevoelens over de jongere generatie in het leger. „Ze nemen het zoveel lichter op dan wij vroeger. Ze hebben er niet meer alles voor over. Ze doen hun werk alsof het een kantoorbaan is. Ze maken hun uurtjes en gaan naar huis. Wij leefden meer voor ons werk, je hoefde ons niet te prikkelen.”

Wat betreft zijn eigen inzet overdreef hij niet. Ik had hem al eens eerder ontmoet en wist dat hij graag uitgezonden werd naar verre buitenlanden. Maar was hij niet te pessimistisch over ‘de jeugd’? Ik vroeg hoe oud hij was. „Zevenentwintig”, zei hij. En hoeveel jonger waren de mensen met wie hij moest werken? „Een jaar of zes, zeven”, zei hij.

Hij voegde eraan toe dat hij twijfelde of hij nog zou bijtekenen. „Juist omdat de mentaliteit zo veranderd is. Ik weet niet of ik dat straks nog kan opbrengen.”

Het frappeerde me dat de eigenaardige gewoonte om de instelling van jongere mensen generaliserend te hekelen, kennelijk al zo vroeg begon. Meestal zijn het mensen van boven de vijftig die somberen over de jeugd „die niet uit zijn bed wil komen”. Zelf zouden ze ook graag wat langer blijven liggen, maar een van de onrechtvaardigheden van het leven is dat je als oudere niet meer zo gemakkelijk een gat in de dag slaapt.

Ik moest denken aan voetbaltrainer Leo Beenhakker die het gevleugelde woord ‘patatgeneratie’ bedacht. Hij was toen – in 1989 – 47 jaar en coach van Ajax, waar hij zich ergerde aan spelers als Bryan Roy, Richard Witschge, Frank en Ronald de Boer en Dennis Bergkamp. Vooral de laatste drie hebben later voortvarend hun weg gevonden in het betaald voetbal. Wie associeert hen nog met friet-met-mayonaise?

Dit denken in generatiekloven is van alle tijden. Er moet iets verleidelijks schuilen in het declasseren van de jeugd, of is het gewoon rancune tegen een nieuwe generatie die de oudere verdringt?

Ik las het ook weer in A Moveable Feast, het boekje van Hemingway over het Parijs van de jaren twintig en zijn vrienden daar. Een van hen was de excentrieke Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein. Ze vertelde hem hoe slecht een jonge monteur haar oude T-Fordje had gerepareerd. De baas van de garage had zijn monteur na een klacht van Stein op de vingers getikt met de woorden: „Jullie behoren allemaal tot een génération perdue.”

Hemingway schrijft: ‘„Dat is precies wat jullie zijn. Dat zijn jullie allemaal”, zei Miss Stein, „al die jonge mensen die in de oorlog hebben gediend. Jullie zijn een verloren generatie.” „O ja?”, zei ik. „Dat zijn jullie”, hield ze vol, „jullie hebben nergens respect voor. Jullie drinken je de dood in…” „Was die jonge monteur dronken?”, vroeg ik. „Natuurlijk niet.” „Heb je mij wel eens dronken gezien?” „Nee. Maar je vrienden zijn dronken.” „Ik ben ook wel eens dronken’”, zei ik, maar ik kom hier niet dronken aan.” „Natuurlijk niet. Dat heb ik ook niet gezegd.” „De patron van die jongen was misschien om elf uur vanochtend al dronken”, zei ik, „daarom vindt hij van die prachtige uitdrukkingen.” „Spreek me niet tegen, Hemingway”, zei Miss Stein, „het helpt toch niet. Jullie zijn allemaal een verloren generatie, net zoals die garagehouder zei.”’

Hemingway vond dat Stein soms onzin (‘a lot of rot’) uitsloeg. Het siert hem dat hij dat zag.