Het onophoudelijke gesprek over de wereld

Barack Obama leest de krant op campagne in 2008. DE foto wom de eerste prijs in de catagorie People in the News van World Press Photo 2009.

Strobe Talbott kende de zwaktes van journalisten. Hij was er zelf een geweest. Toen zijn oude studievriend Bill Clinton president werd, werd Talbott plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken. In die periode maakte hij af en toe tijd vrij om met een groepje Europese journalisten in een hotel niet ver van het Witte Huis te ontbijten en in een uurtje de wereld door te nemen.

Hij was een groot krantenlezer, zei hij eens in het voorbijgaan. Want in de krant kwam je soms feiten, observaties of analyses tegen die niet onderdeden voor rapporten van de CIA. Als goed diplomaat was stroop smeren hem wel toevertrouwd. En zoals dat gaat met vleierij, het blijft hangen, ook al doorzie je het en begrijp je best dat de tweede man van het State Department niet dagelijks uitkeek naar Le Monde, de Süddeutsche Zeitung of NRC Handelsblad.

Soms denk ik nog wel eens aan die opmerking van Talbott terug. Niet uit al dan niet misplaatste beroepstrots. En ook niet omdat ik nou zo veel CIA-rapporten onder ogen krijg en die dan zuchtend wegleg om mijn heil maar te zoeken bij de internationale kwaliteitspers. Het is iets anders.

Of hij het nou meende of niet, Talbott zei iets wezenlijks over de waarde die journalistiek kan hebben, zelfs voor politici die een reusachtig inlichtingenapparaat tot hun beschikking hebben: de waarde van een onafhankelijke en geïnformeerde kijk op de chaotische wereld waarin we leven. Die is soms verrassend, soms voorspelbaar, soms heel verhelderend, soms ergerniswekkend. Maar wie aan de krant en andere journalistieke producten voorbijgaat, wie zich er niet voor openstelt en denkt dat hij het zonder ook wel afkan, die doet zichzelf naar mijn stellige overtuiging tekort.

Sinds ik een kleine tien jaar geleden een column over internationale kwesties begon te schrijven, ben ik daarvan alleen maar meer overtuigd geraakt. Want om deze column te kunnen schrijven was het noodzakelijk regelmatig in gesprek te zijn over allerlei grote en minder grote zaken in de internationale politiek. Met diplomaten, politici, wetenschappers, militairen en anderen. Soms was zo’n gesprek een echt interview, soms een informele gedachtenwisseling in de marge van een conferentie, bij een diner, in de kroeg, per mail of op Twitter. Over de opvolging van Ban Ki-moon bij de Verenigde Naties bijvoorbeeld, over de zin van de westerse bombardementen in Syrië, over de manier waarop Duitsland zijn leidersrol in Europa speelt, over de toekomst van Oekraïne, het nut van de NAVO, en ga zo maar door.

In vrijwel al die gesprekken kwam vroeg of laat een artikel uit de krant of van een website aan de orde. Als een stille gesprekspartner die alleen op papier bestaat of in digitale vorm, maar die vaak gangmaker is en brandstof levert voor debatten die ertoe doen. Met nieuwe feiten, argumenten, inzichten en vragen die anders blijven liggen.

Het onophoudelijke debat over de toestand in de wereld lijkt vaak een kakofonie, chaotisch als de wereld zelf. Vooral dankzij internet en de sociale media, die zo’n enorme vloed aan informatie over ons uitstorten.

Maar juist die veel gesmade nieuwe media hebben het niveau van de discussies over geo-politieke ontwikkelingen veel goedgedaan. Op Twitter raken de scherpste analisten in gesprek met politici, diplomaten, journalisten en burgers. En iedereen kan het volgen. Voor deze column heb ik er vaak van geprofiteerd. Zo’n stukje ontstaat zelden in een isolement achter een bureau. Ook het gesprek met collega’s op de redactie is vaak het beginpunt van een column geweest, en ook een onmisbare toets.

Met deze preek voor de eigen journalistieke parochie besluit ik mijn laatste column. In maart keer ik terug in de krant als correspondent in Duitsland.