Column

Eén ding was beter

Hoewel ik natuurlijk een ronkende romanticus ben en krampachtig vasthoud aan obscure gewoonten uit lang vervlogen tijden, zoals schrijven zonder autocorrectie, roken en een telefoon gebruiken om mee te telefoneren, ontken ik met klem dat ik zo iemand ben die denkt dat vroeger alles beter was. Ik zie heus de voordelen van de moderne tijd, zoals dat je nu eenvoudig via Facebook kunt bijhouden hoe het gaat met ieders katten. Maar voor één ding maak ik een uitzondering. Eén ding was vroeger wel beter dan nu en dat is de universiteit.

Deze week presenteerden de coalitiepartijen een plan voor het hoger onderwijs waarbij studenten niet langer collegegeld betalen per jaar maar per gevolgd vak. Het is afkomstig van de studentenvakbond en heeft de beste bedoelingen. Het idee is dat studenten flexibeler kunnen zijn, dat er maatwerk kan worden geleverd en dat studenten de vrijheid krijgen om hun eigen loopbaan in te richten. Zaken waar je onmogelijk tegen kunt zijn. Bovendien biedt het een verzachting van een praktisch probleem dat ook in mijn tijd al vaak voorkwam. Veel studenten haalden de deadline van hun scriptie niet en moesten zich opnieuw voor een vol jaar inschrijven om te kunnen afstuderen. Dat hoeft met het nieuwe plan alleen nog maar voor één vak. Ik vermoed dat dit de voornaamste reden is waarom de studentenvakbond het plan steunt. Er zijn ook tegengeluiden. Oppositiepartijen hebben zorgen over de toenemende administratieve druk die het met zich meebrengt om al die vakken apart af te rekenen en over de onzekerheid voor de financiering van de instellingen.

Ik zie veel fundamentelere bezwaren. Als ik terugkijk op mijn eigen studie Klassieke Letteren aan de Leidse Universiteit, herinner ik mij populaire vakken en vakken die iedereen met tegenzin volgde, zoals dat bij elke studie het geval is. Maar die vakken die ik zelf nooit gekozen zou hebben als ik had mogen kiezen, bleken achteraf essentieel. Niet zelden zijn het de vakken die wat moeilijker zijn die zich minder kunnen verheugen in populariteit bij de studenten. Wie zo flexibel is dat hij of zij per vak mag afrekenen, zal zich wel drie keer bedenken alvorens zich in te schrijven voor een saai college met een hondsmoeilijk tentamen waarvoor je zomaar zou kunnen zakken, wat weggegooid geld zou zijn.

Misschien nog wel belangrijker is dat ik mij herinner dat ik mijn jaren dat ik stond ingeschreven aan de universiteit heb benut om uit pure interesse en nieuwsgierigheid de meest obscure vakken te volgen, zowel bij mijn eigen als bij andere vakgroepen. Ik volgde colleges over profane middeleeuws Latijnse lyriek, patristiek, Duitse poëzie, filosofie, archeologie, geschiedenis, Neolatijn, papyrologie, mycenologie en Indo-Europese taalkunde, waarvan ik van tevoren wist dat ik er helemaal niets aan zou hebben. En juist die vakken hebben enorm bijgedragen aan mijn vorming.

Het belangrijkste bezwaar tegen het plan om studenten per gevolgd vak te laten betalen is dat er de verkeerde stimulans van uitgaat. Het plan bevordert het vermijden van lastige, impopulaire colleges die fundamenteel zijn voor de opleiding en het ontmoedigt nutteloze nieuwsgierigheid die fundamenteel is voor de bredere vorming. Het stimuleert pragmatisch consumentisme dat haaks staat op het academisch ideaal.

Wie de kenniseconomie wil stimuleren, moet een financieringsmodel invoeren dat het beloont om zo lang mogelijk aan de universiteit te blijven hangen en zo veel mogelijk te leren dat als nutteloos wordt beschouwd, met een studiefinanciering die oploopt bij elk nieuw studiejaar en een fikse bonus voor elke tiendejaars.