150 prikken, 60 rotte kiezen en een gasthuis

Een klooster, een kamer voor bevallingen, een wasplaats. Dat was ongeveer de wens van de plaatselijke bevolking in Upper Dolpo. Vier artsen gingen op pad en leerden dat elk gevoel van medelijden misplaatst is.

De Upper Dolpo, een dunbevolkt gebied in Nepal Foto Emma Bruns

Nog honderd meter. Met iedere stap voel ik mijn hart bonken in mijn borstkas. De lucht is ijl, 5.700 meter boven het zeeoppervlak. Het uitzicht is meer dan Instagramwaardig. Op de top wapperen de gekleurde gebedsvlaggen. De bergkam is kaal en stoffig. Een zin uit een documentaire van David Attenborough gonst door mijn hoofd: In the mountains, people are only temporary visitors. Mijn telefoon heeft geen bereik, in de verste verte is geen levend wezen te bekennen. Toch ben ik nog niet vermoeid geraakt door de kou of de steile bergpaden. Pas als de top van de pas nog tien kilometer verder blijkt te liggen dan we dachten, zit mijn inflexibele geest dwars. Omgaan met onvoorspelbaarheid blijkt lastig voor mij, als product van een goed georganiseerde maatschappij.

(de tekst gaat verder onder de video)

Wat er aan vooraf ging

Het moment van twijfel was maar kort toen in augustus van dit jaar de telefoon ging. Of ik een maand kon vrijmaken om een van de meest afgelegen regio’s van Nepal te bezoeken voor een medisch project. Ontwikkelingswerk? De bodemloze put? Nee. Dit was een project met visie, werd me op het hart gedrukt. Er was overleg geweest met de mensen zelf. Ik was sceptisch. Maar het avontuur lonkte. Met drie andere artsen ging ik op weg naar Upper Dolpo, een gebied van 8.000 vierkante kilometer in het westen van Nepal.

Initiator van het plan is Jan Nikkels (54) – huisarts, vader van vier kinderen en oprichter van stichting Zuidwolde. Maar ook voorzitter van de lokale voetbalclub en boegbeeld van een benefiet fietstocht van Tsjernobyl naar Zuidwolde. Hij heeft zijn vrouw beloofd dat Upper Dolpo het laatste grote project is. Ter voorbereiding op de trek loop ik een dag visite met hem in Zuidwolde. We rijden door het Drentse landschap in een auto die hij een aantal jaar geleden heeft voorzien van een koolzaadtank. De huisartsenpraktijk zelf maakt gebruik van warmtepompen, zonnepanelen en toiletspoeling met regenwater. Hij is een voorbeeld van een idealist die zich niet heeft afgezet tegen de maatschappij, maar zelf initiatieven ontwikkelt om te laten zien hoe het anders kan.

Waarom naar Nepal?

Toen Nikkels in 2009 als wandelaar voor het eerst in Upper Dolpo kwam, was hij meteen verkocht. De moeilijke bereikbaarheid (het gebied is alleen toegankelijk door te voet twee bergpassen van meer dan 5.800 meter over te steken) heeft de regio behoed voor iedere vorm van ‘cultuurvervuiling’. De Dolpo-bewoners zijn grotendeels Tibetaanse migranten en praktiseren een eeuwenoude vorm van bön-boeddhisme: een combinatie van boeddhisme en natuurgodsdienst. Samen met de jaks, hun kostbaarste bezit, vervoeren ze zout tussen de Chinese grens en de lagergelegen gebieden. Het isolement en de barre omstandigheden hebben van hen een trots en weerbaar volk gemaakt. Tegelijkertijd is de moderne beschaving, met als gevolg een hogere levensverwachting, aan hen voorbijgegaan. De mensen worden gemiddeld niet ouder dan 46 jaar en tijdens de bevalling sterft 1 op de 10 vrouwen.

Nikkels is nu voor de derde keer in Upper Dolpo. Tot nu toe heeft hij vooral veel geluisterd. Na diverse gesprekken met een verpleegkundige, een kunstenaar en een schooldirecteur uit Tinje, een van de zeven dorpen in Upper-Dolpo, werd hem één ding heel duidelijk: als je vanuit onze hectische maatschappij de stilte en schaarste romantiseert, verlies je de keerzijde uit het oog. Zo heeft een gebrek aan toegang tot zorg en onderwijs niets met het behoud van een authentieke cultuur te maken. De komst van wegen, elektriciteit en internet zijn daarentegen wel een bedreiging voor de traditionele bön-boeddhistische kloosters, de ambachten en de traditionele talen. Hoe kun je een medemens ondersteunen zonder hem je eigen westerse idee van welvaart op te leggen?

Natuurlijk wil je stromend water, onderwijs en een warmer huis. Natuurlijk willen ze geen koffie van de Starbucks of een hamburger van de McDonald’s. Tenminste, dat nemen we aan. Onze perceptie staat het luisteren zonder oordeel in de weg. We weten immers niet hoe men in Upper Dolpo leeft en zou willen leven.

Dat wij onwetend zijn, merkte Nikkels ook toen hij de drager Pasang Sherpa ontmoette. Pasang, zelf afkomstig uit het gebied in de buurt van de Everest, heeft het vermogen om de brug te slaan tussen wat de Nepalezen willen en wat wij kunnen bevatten. Sinds de dag dat hij als vijftienjarige besefte dat hij door Engels te leren wellicht minder blaren op zijn rug zou krijgen, werkte hij zich op tot de meest begeerde positie in de expeditie: de gids. Hij beklom de hoogste berg van de wereld drie keer: „Het hoogst haalbare voor mij is een groep veilig door de Himalaya te leiden.” Na de oprichting van een school en een ziekenhuis in zijn eigen dorp en het opzetten van een vuilnisophaalsysteem in een nieuwe wijk in Kathmandu heeft hij zich samen met Nikkels gericht op Upper Dolpo.

Luisteren is het nieuwe helpen

We zitten met acht lokale dorpshoofden om de tafel. Een gevoel van medelijden of de plicht om voor deze mensen te moeten zorgen, blijkt geheel misplaatst. Uit grote kannen wordt jakthee, een mengsel van boter en chai, in kleine porseleinen kopjes ingeschonken. Eén van de dorpshoofden houdt een lang betoog. Ik probeer zijn lichaamstaal te ontcijferen. Pasang fungeert als tolk: „Wij zijn er in Upper Dolpo gewend aangeraakt om voor onszelf te zorgen. Niemand komt hier ooit, laat staan dat ze weten wat er nodig zou zijn.” Met onze gids, de lokale schooldirecteur en de verpleegkundige uit Tinje bespreken we wat ze van ons verwachten. Een klooster, een ziekenpost, een kamer voor bevallingen, een wasplaats en een gemeenschapsruimte.

Na een paar dagen volgt de tekening van het zogenaamd DAHL-guesthouse (Dialogue, Agriculture, Health, Learning). Een plek waar mensen zelfstandig en onafhankelijk kunnen werken. Een gebouw dat modern is in zijn eenvoud: elektriciteit uit zonlicht, water en wind, goede isolatie, groene kassen met plastic dekzeil voor het verbouwen van groente. Het gebouw zal naast een gemeenschapsruimte voor de lokale bevolking (bibliotheek, douche, keuken) ook dienen als gasthuis voor trekkers van de Great Himalayan Trail. Die inkomsten zijn voor de lokale bevolking.

Gedurende de dagen dat we in Tinje verblijven, verlenen we eenvoudige medische hulp. We vaccineren 150 kinderen tegen onder andere polio en hepatitis en we trekken meer dan 60 rotte kiezen. Na tien kiezen kan de lokale verpleegkundige het ook.

Of het voor de mensen daar uitmaakt dat wij hier helemaal naar toe zijn gekomen? Wellicht. Of we hier onze visie op op duurzame vooruitgang moeten brengen, terwijl het aantal zonnepanelen in Amsterdam kleiner is dan in Kathmandu? Ik denk het niet.

Weer terug in de bewoonde wereld

Na 21 dagen lopen verschijnt niet alleen het uitzicht op een douche in de bewoonde wereld, maar ook opeens het netwerk weer op het scherm van mijn telefoon. Ik zie beelden van rijen wanhopige vluchtelingen, lijken in Parijs en boze ministers over een trein die niet op tijd reed. Bij terugkeer op Schiphol stuit ik op prikkels, meningen en maatregelen. Iedereen – van regeringsleiders tot de medereizigers – lijkt het beter te weten maar het geduld om samen een berg van wijsheid te bouwen, lijkt verdwenen. Al is dat ook misschien mijn eigen onmacht jegens die onvoorspelbaarheid.