‘Wat gaan ze in godsnaam met mijn DNA doen?’

(30) heeft het allerpersoonlijkste dat hij heeft te koop gezet. Zijn DNA. Doodeng. Maar een kunstenaar, vindt hij, moet zijn angsten overwinnen.

Voor 334 euro kun je het gehele DNA van kunstenaar Jeroen van Loon kopen. Althans, als niemand een hoger bod uitbrengt op de veiling die nog 284 dagen zal duren. En je krijgt niet zijn biologische DNA, maar zijn persoonlijke DNA-data: 380 gigabyte groot.

Dat is niet alles. Je krijgt er nog de serverkast bij, waarin hij de gegevens heeft opgeslagen, net als foto’s van het onderzoek in het Erasmus Medisch Centrum om zijn genoom vast te stellen. En brieven die hij een medisch ethicus, een kunstmarktkenner, een cybercrime-expert en accountants heeft laten schrijven over de waarde van zijn DNA. Alles te zien op de tentoonstelling Beyond Data in het Centraal Museum in Utrecht, die zaterdag opent en tot 13 maart duurt. Het hoogste bod tot dusver is 333 euro, staat op de website die Van Loon voor dit werk heeft geopend.

Cellout.me heet dit nieuwe kunstwerk van de dertigjarige Van Loon, die sinds zijn afstuderen projecten uitvoert die vragen stellen bij onze digitale cultuur. Wat hij met dit werk wil tonen? „Dat alles van een mens te koop kan zijn, zelfs onze eigen broncode. De meest persoonlijke informatie, die alles over je vertelt”, antwoordt hij. „Het bepalen van je genoom wordt steeds gemakkelijker en goedkoper. Waarom zouden die data in de toekomst niet verkocht gaan worden, zoals nu al je creditcardgegevens? Dat willen we ook niet, maar het gebeurt wel.”

Tot 27 september 2016 moet Van Loon afwachten wat zijn DNA waard is. Hij verbindt geen voorwaarden aan de verkoop. „Ik heb wel gedacht: Waar ben ik in godsnaam mee bezig? Kan ik wel overzien wat iemand met die DNA-data zou kunnen doen? En moet ik geen minimumprijs vaststellen? Wat als het hoogste overgebleven bod uiteindelijk niet meer dan 1,50 euro zou zijn? Tot een andere kunstenaar tegen me zei dat een kunstenaar nooit bang moet zijn. Anders is het geen kunst meer. Ik heb mijn angsten moeten overwinnen.”

Een jaar geleden ontving Van Loon het K.F. Heinstipendium van het K.F Heinfonds, dat een jonge kunstenaar uit Utrecht en omstreken het geld geeft voor een jaar onderzoek. Voor dit gesprek in het museumcafé onderbreekt Van Loon het opbouwen van de tentoonstelling die het eind markeert van zijn onderzoeksprojecten. Hij heeft zijn vader even alleen gelaten. Die is een dag gekomen om te helpen met het andere kunstwerk dat hij toont. Meer dan honderd meter aan glazen buizen leggen ze samen neer, als representatie van het internet, het kabelnetwerk dat over de aardbodem loopt. In plaats van pulserende lichtsignalen die data vervoeren, laat hij rook door de buizen gaan. „Een eeuwenoud medium. We hebben als mensen altijd over lange afstanden willen communiceren. Heel vroeger deden we dat met rooksignalen, nu via internet. Maar internet zal ook weer opgevolgd worden.”

Ooit keek papa naar YouTube

Dit glazen internet is zijn voorstelling van hoe archeologen over eeuwen kijken naar de datakabels die ze zullen vinden als de overblijfselen van onze tijd. „Internet is nu zo centraal in ons leven, maar straks komt er weer iets anders. Dat kunnen we ons nu niet voorstellen, maar zo ging het ook met telegraaf en telefoon. Ik zit nu al eens te denken dat ik over een jaar of acht tegen mijn zoon, die nu twee is, zeg: ‘Acht jaar geleden keek ik nog naar YouTube’.”

Met zijn vader moet hij nog een probleempje oplossen. Bij de proefopbouw zette Van Loon zijn eigen atelier vol rook. Dat kan niet in een museum. „Een beetje rook dat uit de buizen ontsnapt, is wel leuk. Het internet dat lekt”, lacht Van Loon. Zijn ogen glinsteren achter zijn brillenglazen. „Maar als er te veel rook vrijkomt, wordt het museum gek. Ik moet nu allemaal extra gordijnen ophangen, zodat de rook niet in andere zalen kan komen waar het kunstwerken kan aantasten. En er hangen extra rookmelders.”

Eigenlijk deed hij met een ander project mee in de competitie van het K.F. Heinfonds. Een vijf meter hoge, uit een boom gekerfde totempaal in de vorm van een wifi-antenne. Een plek waar het publiek als hedendaagse indianen zou samenkomen voor gratis internet. Die totempaal is er niet gekomen, op aandringen van dat K.F. Heinfonds. Hun reden: je hebt een jaar tijd om nieuw onderzoek te doen, waarom dan iets dat zo dichtbij eerdere werken ligt? „Dat was wel even wennen, ik had maanden aan het voorstel gewerkt, ik had er een prijs meegewonnen en dat moest ik dan na één bespreking loslaten. Maar ze hadden gelijk, het idee was vijf of tien jaar geleden tof geweest maar nu niet meer. Gratis wifi, gôh leuk. En dan gaat iedereen daar zitten en gewoon verder met Whatsappen.”

Hij heeft daardoor een stap in zijn ontwikkeling kunnen maken, zegt hij. „Ik was in het verleden meer op de digitale cultuur van nu gericht en wil me nu meer bezig houden met zaken die nog moeten komen. Het werd een beetje saai om steeds als commentator van onze digitale cultuur te worden beschouwd.”

Noem hem geen internetkunstenaar. „Daar heb ik een enorme hekel aan. Dat klinkt alsof ik zo’n kunstenaar ben die een beamer opzet en projecties gaat doen. Dat doe ik helemaal niet, dat zou ik ook niet serieus nemen”, zegt hij. „Ik kan ook helemaal niet goed programmeren.” En even later: „Ik wil kunst maken die laagdrempelig en toegankelijk is, niet alleen voor een doelgroep van nerds.”

Op zijn opleidingen aan de HKU (Digital Media Design en European Master Media Arts), tussen de nerds, heeft hij zich dan ook drieënhalf jaar niet gelukkig gevoeld. „Had ik niet typografie of grafische vormgeving moeten studeren, vroeg ik me af. Pas bij mij afstudeeropdracht had ik een half jaar alle vrijheid, toen voelde ik dat ik goed zat.”

Een handgeschreven blog

Maar toen kreeg hij RSI. Zijn schouders zaten helemaal vast, hij had pijn in zijn polsen. Van Loon ging helemaal offline leven en documenteerde dat in een handgeschreven blog. „Ik heb in die periode heel veel nagedacht over de gevolgen van internet voor ons dagelijks leven.”

Tijdens een wereldreis na zijn studie nodigde hij mensen uit hem handgeschreven brieven te sturen over hun gebruik van nieuwe media. „ Een hele mooie brief vond ik van een vrouw in Amsterdam die heel lang een afstandsrelatie met een Amerikaan had gehad. Zij hadden elke dag contact via Skype. Zo vaak dat ze gewoon tussendoor even gingen afwassen tijdens het skypen. Hij kwam naar Nederland en ze gingen samenwonen. Maar na een tijdje merkten ze dat ze het skypen misten. Af en toe gaan ze daarom ieder in een eigen kamer zitten en dan toch weer met elkaar skypen.”

Eigenlijk wil hij dit project dertig jaar volhouden. „Dan heb ik straks als enige gedocumenteerd met handgeschreven brieven hoe het internet zich heeft ontwikkeld. Alle mailtjes zijn dan al lang verdwenen, op Facebook staat het niet meer.”

De meeste impact had, denkt hij, Kill your Darlings: in een hart op de muur hingen schermpjes met boodschappen die jongeren elkaar via Facebook of Twitter sturen. „Hoe jonger mensen waren, hoe meer ze erom konden lachen. Hoe ouder, hoe meer afgrijzen ze toonden.” Hij stelde zich de vraag hoe erg je die boodschappen moet vinden. „Als een meisje ‘Kankerhoer, ik hoop dat je doodgaat’ naar een vriendin stuurt. Is dat dan heel erg? Is het niet gewoon een brainfart die ze zo vergeten is?”

Zijn eigen internetgebruik is na al zijn projecten maar beperkt gewijzigd. „De eerste maand na herstel van mijn RSI hield ik me in. Maar na twee maanden zat ik alweer hele avonden nutteloos te staren naar dat internet. Toch probeer ik het in te dammen. Ik heb geen sociale media-apps op mijn smartphone geïnstalleerd. Anders wordt het toch te verleidelijk.”

En voedt hij zijn zoontje zonder digitaal speelgoed op? „Ik was me er eigenlijk niet bewust van dat hij zo jong dingen van ons zou kopiëren. Totdat hij 1 was en op een dag Duplo-blokken pakte, tegen zijn oor hield en zo begon rond te lopen. Hij ziet dus echt alles wat ik doe! Er wordt gezegd dat het niet goed is om een kind voor zijn tweede televisie te laten kijken. Zo sterk ben ik niet geweest. Maar hij mag niet te lang kijken. En we hebben geen iPad in huis. Ik weet dat als hij ouder is we er ooit een gesprek over moeten beginnen. Dat is al heel anders dan toen ik de computer leerde gebruiken: er was geen ouder die er met je over praatte.”