Wat blijft van de mijnen

Precies vijftig jaar geleden werd de sluiting van de mijnen in Limburg aangekondigd. De koempelromantiek leeft voort op armen en ruggen.

De opa van Sharon Göbbels (29) was mijnwerker in de Willem-Sophia, een steenkolenmijn in Spekholzerheide. Die was al ruim vijftien jaar gesloten toen ze werd geboren. Opa’s laatste jaren kan ze nog wel terughalen. Een man vechtend voor wat adem. Hij had stoflongen opgelopen tijdens zijn werk ondergronds. „Ik was een jaar of zestien toen hij overleed.”

Sinds kort heeft opa een plekje op een van haar onderarmen gekregen: mijnwerkersgereedschap in een hart met de tekst ‘Forever in my heart’, daaronder het nummer dat hij had in de Willem-Sophia, omringd door bloemen. Elke mijnwerker had een penning met zijn eigen cijfercombinatie. Die werd afgegeven aan een portier voordat hij de liftschacht inging. Zo was altijd duidelijk wie beneden was.

Veel meer van die vergane wereld heeft in blauwe inkt een plek gekregen op Limburgse lichamen: hamers, helmen, complete gangenstelsels. De tatoeages zijn vaak ook een uiting van clubliefde voor Roda JC. Göbbels: „Ik heb een geel-zwart hart.” De aanhang van de Kerkraadse eredivisieclub verwijst graag naar het mijnwerkersverleden. Spandoeken staan vol symbolen. Het Parkstad Limburg Stadion heeft een koempeltribune. En supporters zoals Göbbels zien de spelers het liefst winnen met hard werken en eendracht. „Koempelmentaliteit” noemen ze dat.

Heerlenaar Wim Huisken (57) heeft niets met Roda JC en des te meer met rockabillymuziek. Veel van de tatoeages op zijn lichaam hebben ermee te maken. Met uitzondering van zijn rechterarm: die is een monument voor zijn vader en de mijnen. „Ik wilde ook mijnwerker worden. Hij heeft het altijd afgeraden. Dat wordt je dood, zei mijn vader. Hij is zelf gestorven aan long- en leverkanker. Ik mis hem nog elke dag, helemaal nu ik zelf kleinkinderen heb.”

Zijn arm met onder meer een portret van zijn vader als koempel en de penning met zijn nummer beschouwt Huisken ook als eerbetoon aan al die anderen die ondergronds werkten. Dat het afgelopen jaar werd uitgeroepen tot Jaar van de Mijnen, vindt hij een mooi gebaar, maar niet genoeg. „Wij in Limburg hebben Nederland na de oorlog opgebouwd. Daarna zijn we afgeslacht.” Waarmee hij bedoelt: voor de werkloze mijnwerkers werd niets gedaan. „Het moet elk jaar Jaar van de Mijnen zijn.”

Van zwart naar groen

Dat zal er niet komen. Toen het jaar onlangs werd afgesloten, pleitte commissaris van de koning Theo Bovens (CDA) wel voor een jaarlijkse Dag van de Mijnen. Schachttorens, gebouwen, mijnsteenbergen en andere zaken die herinnerden aan de kolenwinning, werden na de mijnsluiting snel gesloopt of anderszins weggepoetst.

Van zwart naar groen, luidde het motto. De Oostelijke Mijnstreek (Heerlen, Kerkrade en omgeving) heette voortaan Parkstad.

Het industrieel erfgoed mag grotendeels verdwenen zijn, monumenten, muurschilderingen, tatoeages en andere uitingen herinneren nog volop aan wat ooit was. De oorsprong van het romantische beeld van de koempel ligt minstens zeventig jaar terug. Een mijnsluiting was nog ondenkbaar. „Zeker na de Tweede Wereldoorlog zetten het bedrijfsestablishment en de kerk fors in op het kweken van een echte Limburgse mijnwerkersstam”, zegt Jos Perry, onderzoeker aan de Universiteit Maastricht.

Hij schreef in 1999 met Wiel Kusters Versteende wouden. Mijnen en mijnwerkers in woord en beeld. In de eerste decennia van hun bestaan waren de mijnen zo onstuimig gegroeid dat veel van het personeel uit het buitenland en de niet-katholieke delen van Nederland moest worden gehaald. Veel mensen uit de streek stonden aanvankelijk ook niet te trappelen om ondergronds aan het werk te gaan. „Tijdens de wederopbouw moest dat definitief veranderen. Een stabiel arbeiderspotentieel was in ieders belang. Het vak moest van vader op zoon overgaan. De Staatsmijnen gaven het blad Steenkool uit, bijna een glossy, met stukken die het mijnwerkersbestaan romantiseerden en met schitterende foto’s.”

De saamhorigheid bestond echt, volgens Perry. „Op grote diepte was je op elkaar aangewezen. De Ondergrondse Vakschool gaf de koempelcultuur van jongsaf aan mee. Twaalf-, dertienjarigen wisten daar al dat ze een bestaan als mijnwerker tegemoet gingen.”

Witste nog, koempel

Nadat toenmalig minister van Economische Zaken Den Uyl in 1965 de sluiting van de mijnen had aangekondigd, vandaag precies vijftig jaar geleden, was het binnen tien jaar over en uit. De hele veilige wereld waar het bedrijf en de kerk samen bepaalden wat goed voor de mensen was, viel weg.

In 1976, ruim een jaar na de sluiting van de laatste mijn, bracht de dialectgroep Carboon een lp uit die volledig over die teloorgang ging: Witste nog, koempel… (Weet je nog, mijnwerker). „Het verbaasde ons toen al wat die liedjes allemaal losmaakten”, zegt zanger Ben Erkens (63). „Het verraste ons nog meer dat onze optredens dit jaar opnieuw uitgroeiden tot een enorme hype. De meeste mijnwerkers zijn inmiddels overleden. Maar op de eerste rijen zag je mensen de teksten woord voor woord meezingen.”

Erkens groeide op in Geleen-Lutterade, waar de mijn Maurits centraal stond. Zijn vader was er houwer, totdat meniscusklachten verder kruipen in de gangen onmogelijk maakten. „Geleen noemde zich destijds ‘de wereldstad’. Dat was misschien wat overdreven. Maar er kon door de welvaart heel veel. Het Nederlandse betaald voetbal begon er, net als Pinkpop. Trots, nostalgie en stil verdriet verklaren, denk ik, het succes van onze liedjes.”

Teruggrijpen op de geschiedenis van de familie is meer iets van de derde dan van de tweede generatie, zegt Jos Perry: „Dat zie je ook als het gaat om het terugblikken op het oorlogsverleden. De tweede generatie, die er nog in is opgegroeid, vindt het gewoner. Voor de derde is het exotischer. Ze hebben een grotere gedrevenheid om de verhalen te achterhalen. En de mensen van de eerste generatie, als ze er nog zijn, willen er op hoge leeftijd nog graag over vertellen.”