Toch geen brede steun voor jihad

Weinig Turkse en Marokkaanse Nederlanders hebben begrip voor Syriëgangers. Velen voelen zich niet geaccepteerd in Nederland.

Woordvoerders van een groep Turks-Nederlandse jongeren kijken toe hoe minister Asscher de pers toespreekt, vorig jaar november. Ze spraken destijds over het Motivaction-onderzoek waaruit zou blijken dat veel Turks-Nederlandse jongeren sympathie zouden hebben voor IS. foto Robin van Lonkhuijsen / ANP

„Ik baal”, zegt minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA) in een speech op de Haagse Hogeschool. Vorig jaar noemde hij de uitkomst van een Motivaction-onderzoek „verontrustend”. Volgens dat rapport had een grote meerderheid van de Turks-Nederlandse jongeren sympathie voor IS.

Het onderzoek bleek niet te deugen, het gisteren verschenen rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau, Werelden van verschil, concludeert dat de werkelijkheid er anders uitziet. Volgens het SCP heeft meer dan 90 procent van de Turkse en Marokkaanse Nederlanders geen begrip voor jongeren die vertrekken om voor IS te strijden of voor personen die geweld gebruiken voor hun geloof. Onder jongeren is het begrip iets groter. Een op de zeven jongeren van Turkse en een op de negen van Marokkaanse afkomst geeft aan een „beperkte mate van begrip” te hebben voor het plegen van religieus geweld. Dit wil niet zeggen dat ze bereid zijn dit zelf te plegen.

Het rapport, dat Asscher gisteren op de hogeschool in ontvangst nam, bestrijkt meer dan vermeende IS-sympathie. Het bestudeert de sociaal-culturele positie van de vier grootste „niet-westerse migrantengroepen”: Nederlanders van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse afkomst. Het SCP onderscheidt zeven categorieën binnen deze groepen, variërend van gesegregeerd tot geassimileerd.

Bijna niemand geheel geassimileerd

De helft van de Turkse en Marokkaanse Nederlanders blijkt zich overwegend Turks of Marokkaans te voelen. In deze groepen valt bijna niemand binnen de categorie „assimilatie”, tegen een vijfde van de Surinaamse Nederlanders en een kwart van de Antilliaanse Nederlanders. Ongeveer de helft van de Turkse en Marokkaanse Nederlanders is „gematigd gesegregeerd”. Dat houdt in dat zij nauwe sociale en emotionele banden hebben met de herkomstgroep, maar ook vaak sociale contacten onderhouden met autochtone Nederlanders.

Veel jongeren van Turkse of Marokkaanse afkomst, die meewerkten aan het onderzoek, voelen zich anders behandeld dan autochtone Nederlanders. Het feit dat ze permanent worden aangesproken op hun Turks of Marokkaans zijn maakt het voor hen moeilijker zich als Nederlander te beschouwen. Bijna alle jonge mannen van Marokkaanse afkomst in het onderzoek zeggen vaak staande te worden gehouden door de politie. De „migrantenjongeren” zijn somber over het maatschappelijke klimaat in Nederland: ze voelen zich uitgesloten en gestigmatiseerd.

‘Ik stond al met 2-0 achter, nu met 3-0’

In de speech op de hogeschool uit Asscher zijn zorgen over deze „vervreemding” van de samenleving. Na afloop volgt een gesprek met studenten. De eerste student die het woord krijgt, neemt Asscher zijn uitspraken over het Motivaction-onderzoek kwalijk. „Ik stond al met 2-0 achter op de arbeidsmarkt, door dat onderzoek werd het 3-0. Het zou u sieren als u excuses aanbood.” Asscher antwoordt met begrip, maar zonder excuses.

Een jonge moslim die vertelt over zijn zoektocht naar acceptatie krijgt begripvolle woorden van Asscher, een meisje dat zich afvraagt of ze nog wel affiniteit mag hebben met haar Turkse achtergrond wordt door hem gerustgesteld: „Voor mij is integratie meedoen en erbij horen. Het is niet nodig dat je totaal assimileert.”

Na afloop van het officiële gedeelte storten journalisten zich op mondige moslimjongeren, terwijl Asscher zich terugtrekt in een zithoek met een aantal studenten, eveneens voor de camera’s.

Voor de ingang van de hogeschool praten vier jonge pabo-studentes met hoofddoeken na. „Het is goed dat de minister iets van zichzelf laat zien, maar zo’n gesprek op de Haagse Hogeschool gaat natuurlijk niks veranderen”, zegt Ilham. Net als de jongeren in het onderzoek zijn de meiden somber over de toekomst. „Het wordt erger en erger”, zegt Lubna. „Je zou zeggen dat we in Nederland steeds meer gewend raken aan andere culturen. Maar tien jaar geleden ging het beter.”