Ontwerpers en wegbereiders

De ontwerpers Benno Premsela en Max Heymans hebben meer met elkaar gemeen dan op het eerste gezicht lijkt, zoals een dubbeltentoonstelling in het Joods Historisch Museum uitwijst.

De Lotek-lamp uit 1981.

Of zijn joods-zijn zijn leven had beïnvloed, vroeg een journalist van het Nieuw Israëlitisch Weekblad in 1987 aan modeontwerper Max Heymans. Het antwoord liet weinig te raden over: „Ach engel, wat denk je. Ik maak Chanel-pakken onder rabbinaal toezicht.”

Ook vormgever en binnenhuisarchitect Benno Premsela werd niet graag als ‘joodse kunstenaar’ aangemerkt. Dat zette hem maar „apart”, vond hij.

Het heeft het Joods Historisch Museum in Amsterdam er niet van weerhouden een dubbeltentoonstelling over deze ontwerpers samen te stellen met een sterk biografische opzet: Benno Premsela en Max Heymans, mannen met lef en stijl.

Een voortreffelijk idee, want welke veertigminner weet van de rol die ze op hun vakgebied en als homo-emancipator speelden? Zo gaat dat met succesvolle wegbereiders, zeker als hun ontwerpen van zo voorbijgaande aard zijn. De hoeden en mantelpakjes van Heymans zijn opgeborgen in het modemuseum. Van Premsela’s spraakmakende Bijenkorf-etalages resteren slechts de foto’s. Van zijn ontwerpen is alleen de Lotek-lamp, de kubusvormige constructie van metaaldraad en papier, een klassieker gebleken.

Heymans en Premsela samen, het lijkt een curieuze combinatie. Max Heymans (1918-1997) was de eerste Nederlandse stercouturier. Zijn flamboyante persoonlijkheid was onlosmakelijk verbonden met zijn hoeden en mantelpakjes. Met dank vooral aan de societypagina’s van De Telegraaf. Eerst was er veel aandacht voor Heymans’ coming-out als travestiet. Later werd het ook nieuws als de ‘nestor van de couture’ zijn voet blesseerde of zijn hond kwijt was.

Een heel contrast met Benno Premsela (1920-1997). Die leidde een succesvol, honderd werknemers tellend designbureau, dat tal van ministeries en beursgenoteerde ondernemingen aan een huisstijl hielp. Bovendien genoot Premsela als kunstverzamelaar en bestuurder gezag als ‘boegbeeld van de goede smaak’.

Toch hebben beide mannen meer gemeen dan het lijkt, ontdekte conservator Mirjam Knotter. De expositie vertelt het verhaal van twee joodse jongens die moeten onderduiken, een groot deel van hun familie verliezen en na de oorlog met veel veerkracht aan hun carrières beginnen – Heymans als hoedenontwerper, Premsela als maker van leren tassen.

Als homo-emancipator stonden beiden begin jaren zestig in de frontlinie. Premsela door als COC-bestuurder op radio en televisie uit te leggen dat het probleem van homoseksualiteit niet het probleem van homoseksuelen is, maar van de samenleving. Heymans publiceerde in 1966 zijn autobiografie KNAL. In dat succesvolle ‘rooie-oortjesboek’ vertelde hij met veel zelfspot over „zo zijn” en over zijn voorliefde voor travestie, „een leuke en denderende bezigheid”.

De waardering voor hun bezigheden en hun persoon nam aan het eind van hun leven een vergelijkbare vlucht, stelde Knotter vast. Beiden kregen de status van levend monument. Hoe dat toen wel mogelijk was? De conservator wijst naar de stapel notitieboekjes waarin Premsela’s partner Friso Broeksma de namen noteerde van de gasten bij de grote diners die zij gemiddeld drie keer week bij hen thuis organiseerden. Knotter: „Duizenden mensen uit diverse disciplines heeft Premsela zo met elkaar verbonden.”

Een paar dingen vallen op in de tentoonstelling. Heymans heeft nooit een geheim gemaakt van zijn voorliefde voor Chanel. Op diverse ontwerpschetsen die hij voor zijn modistes maakte (zelf kon hij nog geen draad door een naald steken), is te zien hoe groot zijn liefde voor het Franse modemerk was. Sommige ‘schetsen’ zijn knipsels uit modebladen waar ‘Madame Chanel’, zoals Heymans wel werd genoemd, alleen een stofstaaltje op niette.

Modehistoricus Maaike Feitsma legt in de fraaie tentoonstellingscatalogus uit dat je die vorm van ‘inspiratie’ niet met huidige normen mag veroordelen. Van Nederlandse couturiers werd destijds geen vernieuwend eigen modebeeld verwacht, maar slechts dat ze de Parijse couture aanpasten aan de Nederlandse smaak.

Frapperend is de kwaliteit van Premsela’s verdwenen ontwerpen uit de jaren vijftig. In de catalogus wordt essayist Kees Fens geciteerd, die na de dood van Premsela beschreef wat voor indruk de Bijenkorf-etalages direct na de oorlog op hem hadden gemaakt. De functionele en onversierde stijl van die etalages zuiverden hem van zijn slechte smaak. Fens: „Ik stond ervoor, ik keek ernaar en wist: alles aan mij was verkeerd.”

Van net zo’n tijdloze schoonheid zijn de productcatalogi voor meubelmerk Pastoe uit de jaren vijftig en de stof- en interieurontwerpen. Soberheid die onlangs raak is gekarakteriseerd door fotograaf Erwin Olaf, die een aantal hommages aan Premsela maakte die in de tentoonstelling zijn opgenomen.

Wat ook stof tot nadenken geeft, is Heymans’ wens om joods begraven te worden. Terwijl hij op zijn doodsbed lag, liet hij zich alsnog inschrijven als lid van de Joodse Gemeente Amsterdam. Bij de teraardebestelling hield de rabbijn een grafrede waarbij hij inging op God als eerste modeontwerper.