Onscherpe romantiek

De 200ste geboortedag van fotografe Julia Margaret Cameron wordt in Engeland en Frankrijk gevierd met diverse exposities.

Je zou verwachten dat bij de dromerige portretten, onscherp en vol mythologische en bijbelse taferelen, een fotograaf hoort die zelf wat timide en bescheiden is. Dat idee zou aansluiten bij die devote blikken, die neergeslagen ogen, de nederig gebogen hoofden. Maar Julia Margaret Cameron (1815-1879) was allesbehalve bescheiden en schuchter. Toen ze aan Sir Henry Cole, de eerste directeur van het South Kensington Museum in Londen (het huidige Victoria & Albert) het portret liet zien dat ze had gemaakt van Lady Elcho, vertelde ze erbij dat Lord Elcho had gezegd dat dit ‘het beste was wat ooit in de kunst gemaakt werd’. Het etherische portret An Angel at the Sepulchre (1869-70) exposeerde ze met de tekst: ‘Heel erg mooi / nooit iets beters gezien / G.F. Watts’. En toen de dichter en Poet Laureate Alfred Tennyson, een van de beroemdste schrijvers van Engeland, opmerkte dat haar portret van hem het beste was wat ooit van hem gemaakt was – op dat van de Britse daguerreotypist John Mayall na dan – fulmineerde ze dat het was ‘alsof je een ideale, heroïsche buste vergeleek met een wassen pop van Madame Tussaud’.

Niet alleen was Cameron onbescheiden, ze was ook nogal bits in haar rol als fotograaf. Kinderen uit Freshwater, het dorp op het Zuid-Engelse Isle of Wight waar ze de meeste van haar beroemde foto’s zou maken, vreesden die gekke oude vrouw met haar zwarte vingers (van de fotochemicaliën) die hen, als ze niet oppasten, naar binnen lokte om weer eens te poseren. Ze legde de kinderen vast als cherubijn, minstreel, kindeke Jezus in een van haar vele Madonnafoto’s of lieflijk wezen in groepsportretten met titels als Spring, Summer Days, May Day, The Infant Bridal. Als een kind niet de gewenste blik van wanhoop uit haar ogen geperst kreeg, sloot Cameron het gerust een paar uur op in een kast – moest je dan die desperate blik eens zien!

Haar achternicht, de Britse schrijfster Virginia Woolf, die in 1926 een voorwoord schreef bij een boek over haar groottante, merkte op dat ze ‘behoorlijk despotisch kon zijn’, dat ze ‘sarcastisch was en het hart op de tong had’. ‘Mocht je ooit in de verleiding komen om iets verkeerds te doen’, schreef ze spottend aan een nichtje, ‘op je knieën en denk aan tante Julia.’

Dit jaar viert het Londense Victoria & Albert Museum de tweehonderdste geboortedag van Cameron met een grote overzichtsexpositie van haar werk. Het museum deelt een intensieve geschiedenis met de Victoriaanse fotograaf – niet alleen werden er 114 foto’s aangekocht en geschonken in 1865, ook zou Cameron er een tijdlang twee kamers gebruiken als fotostudio en een persoonlijke band onderhouden met directeur Henry Cole.

In het naastgelegen Science Museum zijn nog eens meer dan honderd van haar foto’s te zien, voornamelijk afkomstig uit het album dat ze in 1864 schonk aan haar vriend en mentor, de wetenschapper en fotograaf John Hershel. Het is een album met een bijzondere betekenis: nadat de bekende Amerikaanse verzamelaar Sam Wagstaff het in 1974 op een Britse veiling van Sotheby’s had gekocht voor 52.000 pond, besliste de Reviewing Committee on the Export of Works of Art dat het album Engeland niet mocht verlaten. Het was de eerste keer dat foto’s in Engeland officieel als kunst werden gezien.

Zeven zussen

Julia Margaret Pattle wordt in 1815 in Calcutta, India, geboren als dochter van een officier van de Britse Oost-Indische Compagnie en een moeder die afstamt van Franse aristocraten. Als de meest flamboyante van zeven zussen groeit ze op in Frankrijk en India en vestigt zich in 1848 met haar twintig jaar oudere echtgenoot Charles Hay Cameron in Londen. Een aantal van haar zussen woont er al – haar zus Sara houdt culturele salons in The Little Holland House, waar Julia veel van de schrijvers, schilders, dichters en wetenschappers ontmoet die ze later voor haar lens zal krijgen – prerafaëlieten als Edward Burne-Jones, John Everett Millais en Dante Gabriel Rossetti, dichters als Robert Browning, wetenschappers als Charles Darwin en John Hershel.

Als een van haar nieuwe vrienden, Lord Tennyson, op een dag met zijn gezin in een roeiboot stapt om zich te vestigen op Farringford House op het Isle of Wight, koopt Cameron al snel daarna de Dimbola Lodge, grenzend aan het landgoed van Tennyson, gelegen achter de witte kliffen en glooiende groene heuvels van het eiland. Als de meeste van haar kinderen (ze kreeg zelf vijf zoons en een dochter en adopteerde nog vijf kinderen) het huis uit zijn en de stilte van het eiland haar somber maakt, krijgt ze in 1863, ze is dan 48, van haar dochter een camera cadeau: ‘Dat het je mag opvrolijken moeder, om foto’s te gaan maken als je je eenzaam voelt in Freshwater.’

Met de foto’s die Cameron er in de volgende vijftien jaar maakt, zal ze een van de belangrijkste en meest vernieuwende fotografen van de negentiende eeuw worden. Met haar onscherpe foto’s creëert ze romantische en poëtische beelden vanuit de overtuiging dat fotografie kunst is met een grote K. Ze maakt hommages aan Rafaël en Michelangelo, voor haar composities met moeder en kind laat ze zich inspireren door schilderijen uit de Renaissance en haar man en buurtkinderen poseren als figuren uit de Bijbel of een scène van Shakespeare. Ze omarmt technische onvolkomenheden; de onscherpte in haar beelden was in eerste instantie niet zo bedoeld maar werd als welkome afwijking voortgezet en zelfs kenmerkend voor haar werk. Ze was niet bang te experimenteren door te krassen in haar foto’s, afdrukken te maken van beschadigde glasplaten of meerdere negatieven over elkaar heen te drukken om zo een nieuw beeld te creëren.

Haar aanpak en onderwerpkeuze kwam haar in haar eigen tijd op veel kritiek te staan. Was niet een van de grote overwinningen van de fotografie de glorieuze weergave van details – hoe kon zij dan zulke onscherpe en besmeurde foto’s afleveren? En waarom moest zij dit nieuwe medium, dat eindelijk de werkelijkheid zo haarfijn kon weergeven, inzetten voor fictie? ‘Er is een geldig excuus omdat het hier gaat om het werk van een vrouw, maar dan nog zou dit niet zo’n verschrikkelijk knoeiwerk hoeven zijn’, haalde iemand uit. Een criticus van het British Journal of Photography vond het op een zeker moment wel heel bont worden en noteerde in 1865 dat hij hoopte dat ‘deze dame een olifantenhuid zou hebben, want nooit kreeg een fotograaf zoveel kritiek te verduren als zij’.

Maar hij had zich geen zorgen hoeven maken – want een vrouw die meer dan tien kinderen wist op te voeden, die de beroemdste mensen van Europa naar haar studio lokte, die in het Victoriaanse tijdperk zo’n beetje in haar eentje een nieuwe stroming in de fotografie uitvond, had daar natuurlijk in het geheel geen boodschap aan.