Maillot de la merde

‘De vloek van de regenboogtrui’ wordt al jaren als mythe gekoesterd. Zelfs renners klagen over de trui. Nu toont wetenschappelijk onderzoek aan dat de vloek niet bestaat.

Tom Simpson in 1966, een jaar voordat hij stierf op de Mont Ventoux. Hollandse Hoogte

Het grootste en zeker meest tragische slachtoffer van de ‘vloek van de regenboogtrui’ is de Engelse wielrenner Tom Simpson. Hij werd wereldkampioen in 1965 (in Lasarte, Spanje), brak in de daaropvolgende winter zijn been bij het skiën, waardoor 1966 een verloren jaar voor hem werd, en reed in 1967 de Tour de France waarin hij stierf op de flanken van de Mont Ventoux.

Met bovenstaande stelling is één ding mis: de vloek van de regenboogtrui bestaat helemaal niet.

Sportjournalisten wisten dat al wel, maar sommigen houden de mythe graag in stand, hij kan van pas komen als er weer eens een wielrenner langdurig slecht presteert in het jaar dat volgt op zijn succesvolle greep naar de wereldtitel.

Maar nu is ook wetenschappelijk vastgesteld dat de vloek, zoals zo veel vloeken, niet bestaat. Thomas Perneger, een epidemioloog die verbonden is aan het academisch ziekenhuis van Genève, heeft er onderzoek naar gedaan. De resultaten zijn gepubliceerd in The British Medical Journal, het wetenschappelijk tijdschrift dat er genoegen in schept om eenmaal per jaar de resultaten te presenteren van onderzoek dat er eigenlijk niet zo veel toe doet, maar daarom niet minder wetenswaardig is.

Perneger bestudeerde de uitslagen van de wereldkampioenen in de periode 1965-2013. Hij vergeleek ze met de palmares van de winnaars van de Ronde van Lombardije, eveneens een wedstrijd die tot de belangrijkste van het jaar wordt gerekend. Wat bleek? Ook zij boekten het volgende seizoen minder goede resultaten, zonder dat ooit iemand het had over de vloek van Il Lombardia.

De Zwitserse onderzoeker onderbouwt zijn conclusie met precisie. Wereldkampioenen behaalden in hetzelfde jaar waarin ze de regenboogtrui veroverden gemiddeld 5,04 overwinningen, het volgende jaar 3,96 en 3,47 in het jaar daarop. Voor Lombardije ziet deze reeks er zo uit: 5,08, 4,22 en 3,83. Conclusie: in het jaar waarin een renner wereldkampioen werd was hij in topvorm; in de andere jaren viel hij terug naar zijn gemiddelde, ‘normale’ niveau.

Perneger maakt wel een voorbehoud bij zijn stelling dat de vloek niet bestaat: in zijn analyses heeft hij veranderingen bij de renners die eventueel doping gebruikten niet kunnen verwerken.„De mogelijkheid blijft dat renners zich drogeren tot ze een belangrijke wedstrijd winnen en hiermee daarna ophouden.”

Renners zelf hebben in de loop van de jaren de vloek van de regenboogtrui niet als een sprookje weggezet. Lance Armstrong (wereldkampioen in 1993) had zich stellig voorgenomen te bewijzen dat de vloek niet bestond, maar zei later: „Die trui is inderdaad heel zwaar.”

Johan Musseeuw (1996) vond zijn wereldtitel zo mooi dat hij de vloek een „tol” vond, „die ik graag betaal.” En toen Jan Janssen (1968) aanvankelijk zonder succes in het regenboogtricot rondreed, trok zijn Franse ploegleider Maurice de Muer aan die trui en zei: „Het is een maillot de la merde.”