Jihadvonnis zege voor rechtsstaat

Ik vind het moeilijk om te begrijpen waar het democratisch recht vandaan zou komen om ‘dood aan de joden’ te roepen, schrijft officier van justitie Ward Ferdinandusse. De vrijheid van meningsuiting is dus niet in het geding met de veroordelingen.

Illustratie Arcadio Esquivel

Vorige week veroordeelde de Haagse rechtbank negen verdachten tot gevangenisstraffen in het zogenaamde ‘jihadproces’. Het is een lang maar lezenswaardig vonnis geworden. Even lezenswaardig was het interview met getuige-deskundige Martijn de Koning in de zaterdagse NRC. Als antropoloog had hij lange tijd omgang met jihadisten. Hij noemt zichzelf in het interview een neutrale onderzoeker die heeft besloten radicale moslims, waaronder de in Den Haag veroordeelden, te beschouwen als activisten. „Zelfs als ze een aanslag zouden plegen, kun je het perspectief van activisme volhouden”, aldus De Koning.

De interviewer liet hem ook een video zien van een jihadist waar hij een persoonlijke band mee had ontwikkeld. Staande naast een massagraf zegt de Syriëganger „het stinkt hier naar verrotte kuffar” (ongelovigen). De Konings reactie: „Die video zit behoorlijk goed in elkaar. Sterk gefilmd. Soufiane had een goede journalist kunnen worden als hij een andere afslag had genomen in zijn leven.” Tot zijn verbijstering heeft de rechtbank hem niet gevolgd in zijn oordeel dat de verdachten gezien moeten worden als activistische moslims die slechts gebruik maakten van hun democratische rechten om hun boodschap uit te dragen.

Tot die boodschap van de verdachten behoorde de waarschuwing dat joden moeten oppassen omdat het leger van Mohammed er aan komt. Het werd geroepen op een demonstratie in de Schilderswijk in juli 2014 waar – zo stelt de rechtbank in het vonnis vast – ook dingen werden geroepen als ‘dood aan de joden’, ‘Wij blijven spreken totdat Shaam gezuiverd wordt van deze joden’, ‘stinkjoden’, ‘vuile joden’ en nog zo wat variaties.

In de publieke discussie over het vonnis was vorige week maar weinig aandacht voor de veroordeling wegens antisemitisme die de rechtbank Den Haag uitsprak als onderdeel van deze strafzaak. Het ging vooral over de vraag of uitingen van enkele jaren geleden niet te veel met de kennis van vandaag waren beoordeeld, of de opgelegde straffen niet te hoog waren en of de vrijheid van meningsuiting hier niet te veel werd ingeperkt. Zo ook de reactie van Tom Zwart in deze krant.

Die reacties kan ik maar moeilijk verenigen met de passages in het vonnis over de ‘anti-jodendemonstratie’ in de Schilderswijk in juli 2014. Die demonstratie vond plaats ruim nadat Mohamed Merah in 2012 op een joodse school in Toulouse een rabbijn en drie kinderen had doodgeschoten en kort nadat in mei 2014 vier mensen waren gedood bij een aanslag op het Joods Museum in Brussel. Om slechts twee gewelddadige antisemitische aanvallen in Europa te noemen.

Ik geloof niet dat de dodelijke aanslagen op joodse doelen die na juli 2014 nog zijn gevolgd – waaronder die in 2015 op een joodse supermarkt in Parijs en een synagoge in Kopenhagen – onze kijk op antisemitisch geweld of bedreiging daarmee wezenlijk hebben veranderd. En ik vind het moeilijk om te begrijpen waar het democratisch recht vandaan zou komen om dit soort boodschappen uit te dragen. Of waarom de veroordelingen in het jihadproces een ‘slag tegen de vrijheid van meningsuiting’ zouden zijn, zoals een van de advocaten van de verdachten na afloop zei.

De joodse gemeenschap in Nederland wordt ondertussen zwaar beveiligd. Voor leerlingen van joodse scholen is gewapende marechaussee de oversteekmoeder van 2015. Sinds kort dan, want tot de aanslag op het Joods Museum in 2014 moest de joodse gemeenschap zelf in haar beveiliging voorzien (en dat doet zij, naar ik aanneem, voor het grootste deel nog steeds). Met als gevolg dat ouders van leerlingen op joodse scholen een uitzonderlijk hoge ouderbijdrage betalen om in de beveiliging van hun schoolgaande kinderen te voorzien. Zoals Gert-Jan Segers van de ChristenUnie daarover zei: „Het is schokkend dat dit in Nederland nodig is. Maar het is nog erger dat de Joodse gemeenschap daar al die jaren zelf voor heeft moeten opdraaien.”

Het is goed om te blijven discussiëren over het belang en de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. Maar zullen we dan ook eens wat nadrukkelijker met elkaar stilstaan bij de vraag hoe het in 2015 staat met het recht van ook joodse kinderen in Nederland om veilig, zonder angst en zonder torenhoge beveiligingskosten naar school te gaan?