Je bent een analfabeet, schampert het Groot Dictee

Met al die onmogelijke zinnen schaadt het Groot Dictee de liefde voor onze taal, meent Warna Oosterbaan. Tirailleur leren spellen is meer iets voor een Klein Dictee.

DEN HAAG, 13 december 2014 - Juryvoorzitter en oud-premier Dries van Agt betreedt de zaal tijdens het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Foto Kippa Marijn Beekman / ANP

Zaterdag is het weer zover: de uitzending van Het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Sportlieden, presentatoren, een rapper en tal van andere Nederlanders en Vlamingen gaan proberen op te schrijven wat Philip Freriks en Freek Braeckman van een papiertje lezen. Het dictee zal ook dit jaar laten zien dat de Nederlandse taal zo moeilijk is, dat je ook in een korte tekst tientallen fouten maakt. Vorig jaar lag het gemiddelde van de zestig deelnemers op 23 fouten in een tekstje van 290 woorden – en dat was een relatief goed jaar.

In weerwil van zijn gewichtige naam gaat het Groot Dictee vooral om de juiste spelling van penseelstaartbuidelmuis, tirailleur, gribbelgrabbel, kasuaris en gillendekeukenmeidenvertoon. Wie zich niet in die kwesties verdiept, is kansloos. Ook is het voor een goed resultaat heel belangrijk te weten hoe je zee-egel schrijft, ge-smst en consciëntieus.

Althans, dat vinden schrijvers als Arnon Grunberg, Kees van Kooten, Adriaan van Dis en de andere prominente vertegenwoordigers van de Letteren die in de afgelopen jaren zo’n tekst vol kreupele zinnen hebben aangeleverd. Dat is meteen ook het grote raadsel van het Groot Dictee: dat schrijvers meewerken aan een programma dat geen liefde, maar weerzin tegen de Nederlandse taal predikt. Een programma dat iedere Nederlander inpepert dat ze hun eigen taal niet kunnen schrijven zonder daarbij tientallen fouten te maken.

„Het is maar een spelletje!” roepen de fans van het programma nu. Maar dat is juist het probleem. Op de televisie is alles een spelletje. Afvallen, opvoeden, koken, zingen, dansen, dirigeren, schilderen, ontwerpen – van al die dingen denken ze bij de televisie dat de kijker het pas verteert als je iets kunt winnen en als er een jury aan te pas komt.

Wat het nog erger maakt, is dat het Groot Dictee het enige programma van de publieke televisieomroep is dat aan taal is gewijd. Eén keer per jaar besteedt de NPO een paar uur aan de taal die we allemaal spreken en schrijven.

Hoe langer je erover nadenkt, des te merkwaardiger het wordt. Zeker nu steeds meer mensen met een andere moedertaal zich in Nederland vestigen en velen zich zorgen maken over de teloorgang van alles wat Nederlands is. Het is waar, in de discussies over inburgering speelt taal een belangrijke rol, taalcursussen en taaltoetsen zijn verplicht. Maar daarna stopt de zorg.

Nieuwkomers hebben weinig mogelijkheden hun taalvaardigheden te ontwikkelen. In het voortgezet onderwijs verkeert het vak Nederlands in comateuze toestand, betoogden vier hoogleraren onlangs in NRC Handelsblad. De animo voor de universitaire studie Nederlands daalt. Over de beheersing van het Nederlands door studenten wordt al lang geklaagd en kort geleden zag de minister zich genoodzaakt een verplichte taaltoets voor studenten aan de pedagogische academies in te voeren. Aan de universiteiten sterft het Nederlands een stille dood – Engels is daar steeds meer de voertaal en al langer de verplichte schrijftaal.

Wat ligt in deze omstandigheden meer voor de hand dan een dagelijks – desnoods wekelijks – televisieprogrammma over de Nederlandse taal? Een programma dat laat zien hoe interessant die taal is, hoe die in elkaar zit en zich ontwikkelt.

Nederlandse les zou een belangrijk bestanddeel kunnen zijn. Voor nieuwkomers, maar ook voor de geboren en getogen Nederlanders die moeite hebben met schrijven en lezen. Daarnaast kun je in zo’n uurtje aandacht besteden aan oude woorden, nieuwe woorden, uitdrukkingen, dialecten, de taal van de politiek, etc. Wat dat betreft hoeven de televisiemakers alleen maar een keer op zaterdagochtend naar het interessante radioprogramma De Taalstaat te luisteren.

Natuurlijk moet zo’n programma over levende taal gaan, het moet veranderingen signaleren, niet tegenhouden. En het spreekt vanzelf dat het bij voorkeur prikkelend en toegankelijk is. Het talent daarvoor is ruimschoots aanwezig. Wie wel eens naar een programma als Het Klokhuis kijkt, weet dat er heel wat creativiteit beschikbaar is als het gaat om begrijpelijk en speels uitleggen. Het televisiescherm leent zich ook goed voor een instructief taalprogramma. De grafische mogelijkheden zijn groot, en veel meer dan internet is het televisiescherm het venster van de natie. Nederlandse schrijvers zouden aan zo’n programma hun medewerking kunnen verlenen, de onderdelen kunnen op verschillende niveau’s worden gegeven en voor je het weet zou een goedgemaakt televisieprogramma over de Nederlandse taal een groot en gevarieerd publiek trekken.

Zo nu en dan kun je ook iets uitleggen. Misschien moet ‘t kofschip weer eens uitvaren, misschien ook kan de regel over stam + t toegelicht worden. Wie wel eens op Marktplaats.nl kijkt weet dat de meeste Nederlanders van mening zijn dat hun gebruikte eetkamertafel het best verkoopt als je erbij zet: „verkeerd in goede staat”. Correctie van dat misverstand lijkt me belangrijker dan de juiste spelling van het przewalskipaard.

Maar het belangrijkste argument voor serieuze aandacht voor de Nederlandse taal ligt op een ander terrein. Nederland is een taalgemeenschap. Serieuze aandacht voor de Nederlandse taal, hoe die werkt, bloeit en zich ontwikkelt is daarom goed voor de publieke zaak. Dat zou wel eens effectiever kunnen zijn dan het opstellen van een canon van historische hoogtepunten of het stichten van een Nationaal Museum. De Nederlandse taal is typisch Nederlands, maar laat de gedachten vrij. Dat heeft de taal gemeen met het Nederlandse landschap, en ook daarvan wordt de betekenis onderschat – zie de afschaffing van de ruimtelijke ordening op Rijksniveau.

In Nederland hebben we een publieke omroep, laten we die ook voor de publieke zaak gebruiken. De Nederlandse taal is daar een perfect hulpmiddel bij, want over het belang ervan bestaat nauwelijks verschil van mening.