Hoewel beschadigd kan het kabinet-Rutte gewoon verder

Zelden spreidde een kabinet zoveel deemoed tentoon als woensdag premier Rutte, minister Van der Steur en staatssecretaris Dijkhoff. De twee bewindslieden van Veiligheid en Justitie alsmede de minister-president verschenen in de Tweede Kamer vol schuldbesef en lieten dat verscheidene malen gepaard gaan met spijtbetuigingen. Desondanks ontliepen de drie VVD’ers een ernstige berisping van het grootste deel van de oppositie niet. Er werd een motie van afkeuring tegen het kabinet ingediend, op initiatief van de nieuwe fractieleider van de ChristenUnie, Segers. Die afkeuring betrof „het onder de verantwoordelijkheid van de minister-president gevoerde beleid”.

Rutte zag de bui al hangen, zo bleek aan het begin van zijn reactie op de vele aanmerkingen : „Ik zit nu dertien jaar in de politiek en dit is veruit het zwaarste debat uit mijn politieke loopbaan. De kritiek van de Kamer in eerste termijn was snoeihard en ik vrees dat daartoe ook aanleiding is gegeven.”

De zaak Cees H. – de crimineel die 4,7 miljoen gulden van het Openbaar Ministerie kreeg toegestopt – het rapport van de commissie-Oosting over deze vijftien jaar oude ‘Teevendeal’, de verkeerde informatie die het kabinet, met name toenmalig minister Opstelten (VVD), aan de Tweede Kamer daarover had verstrekt, de verkeerde rollen die Van der Steur en Dijkhoff daarbij nog als parlementariërs hadden gespeeld – het was allemaal te veel van het foute. Tot dat inzicht kwam premier Rutte tamelijk laat, maar, gelet op de afloop van het debat, nog wel op tijd.

Als hij het stof waardoor hij woensdagavond kroop van zich heeft afgeschud, kan de minister-president constateren dat de motie van afkeuring geen meerderheid haalde; zij werd met 77-65 verworpen dankzij de tegenstemmen van de coalitiepartners VVD en PvdA alsmede drie afgescheiden eenlingen. Wat nog niet inhield dat de tegenstemmers het beleid goedkeurden.

Ten tweede betrof het geen motie van wantrouwen, een veel harder signaal van de Kamer, die bij aanname tot aftreden van het kabinet had geleid. Bijvoorbeeld SGP-leider Van der Staaij maakte duidelijk dat zijn fractie de motie van afkeuring weliswaar steunde, maar dat de politieke consequenties van het falende beleid al in maart van dit jaar waren getrokken: door het aftreden van minister Opstelten en in diens kielzog staatssecretaris Teeven.

Dat was een juiste constatering en daarom kan het kabinet, hoewel door eigen toedoen beschadigd, terecht doorgaan met regeren. En zal het dus ook zijn resterende tijd moeten besteden aan het verwerven van meerderheden in Tweede én Eerste Kamer.