Column

Gelukzalige avond

Een memorabel moment. De Tweede Kamer had de motie van afkeuring tegen het kabinet met moeite (65 stemmen vóór) verworpen en Geert Wilders wandelde, met ingehouden voldoening, naar een groepje Kamerleden waarin zich ook Alexander Pechtold bevond. Ze waren van vijanden opeens broeders van de afkeurende gemeente geworden.

Het leek alsof Wilders iets tegen Pechtold wilde zeggen, maar die keek ongemakkelijk weg, alsof hij zich bewust was van de alles registrerende tv-camera’s. Toen liep Wilders maar door, doelloos de ruimte in, om even later weer in de bankjes van zijn fractie plaats te nemen. Eenzaam, maar niet alleen, want kijk eens hoe hoog hij in de peilingen stond, hoger dan ooit.

Het was een schitterende week voor hem geworden. Eerst ‘politicus van het jaar’, en al was het dan een flauwekulverkiezing van AVROTROS, je kon toch beter vóór Pechtold eindigen dan áchter hem. Toen brak deze gelukzalige woensdagavond voor hem aan: opzienbarende rellen in Geldermalsen over een azc plus een motie van afkeuring in zijn nepparlement tegen het beleid van de man die hij zo diep verachtte.

Wat wilde hij nog meer?

Ik zat het thuis allemaal te bekijken, eenzaam én alleen, want mijn vrouw was er vandoor gegaan naar een vriendinnenavond, waar vast over van alles zou worden gesproken, behalve over het bonnetje van de zogenaamde Teevendeal en het mottige boetekleed van Mark Rutte. Dat mocht ik nu met mezelf bespreken, terwijl ik zo langzamerhand overmand was geraakt door allerlei totaal onverwachte emoties.

Wie had kunnen denken dat ik ooit iets zou voelen dat leek op medelijden met nota bene prominente VVD’ers als Rutte, Van der Steur en Dijkhoff, mannen die doorgaans uitstekend voor zichzelf kunnen zorgen? Het was bijna niet met droge ogen aan te zien: de manier waarop deze politici kniediep door het stof gingen.

Rutte klonk als iemand die na een ongeheelde breuk van jaren aanbelde bij zijn oudere broer. „Mag ik binnenkomen?” vroeg hij aan Pechtold die de deur argwanend op een kier hield. „Asjeblieft”, smeekte Rutte, „we hebben samen ook goede jaren gehad, laten we dat niet vergeten, jaren waarin we elkaar respecteerden en vertrouwden.”

Pechtold deed alsof hij iets wegslikte, maar hij hield de kier klein en zei alleen: „Wat wil je?” „Vergeving”, zei Rutte, „want ik heb enorme stommiteiten begaan, ik geef het ruiterlijk toe.” Pechtold knikte onverzoenlijk: „Je bent wel héél erg stom geweest.”

„Ik voel nog steeds een band’’, mompelde Rutte, maar hij werd overstemd door een mannenstem achter Pechtold, een stem met een boterzachte g, die schreeuwde: „Laat hem opdonderen, die neppremier. Wat ’n deceptie, wat ’n afgang! Snapt-ie nou nog niet dat niemand hem meer lust?” Pechtold zei: „Je hoort het.” En hij sloot zachtjes, maar gedecideerd de deur.

En daar stond de premier, of beter: daar zat-ie, achter de tafel van ‘vak K’ in de Kamer. Het debat was afgelopen, de Kamer stroomde leeg. Naast hem zaten Van der Steur en Dijkhoff met elkaar te praten, een beetje opgelucht als betrokkenen bij een verkeersongeval die met de schrik zijn vrijgekomen. Rutte frunnikte wat aan zijn telefoontje. Zeer eenzaam en zeer alleen, ook al hadden de fotografen zich massaal voor hem verzameld.

Mark, kop op, dacht ik voor het eerst van mijn leven.