Column

Een loongolfje voor ’t nationaal belang?

Dat wordt een goed begin voor de gemiddelde werknemer: in 2016 gaan de contractlonen, zo stelde het Centraal Planbureau vorige week, met 1,6 procent omhoog. En nu het belastingplan er doorheen is, zal een werknemer er ook méér aan overhouden. Kan het nog beter? Ja, het kan nog beter. En misschien móet het ook wel beter.

In kringen van centrale bankiers zijn geluiden te horen dat de economie een loongolfje van een procent of 2 best goed zou kunnen gebruiken. Dat gaat tegen de heersende wijsheid in: economen van de Rabobank stelden op maandag juist nog dat loonmatiging het beste antwoord zou zijn op de langdurige werkloosheid.

Dat kan zijn, maar in een economie waar de inflatie te laag wordt bevonden en de bestedingen nog steeds te bedeesd, kan een eenmalige verhoging van de lonen wonderen doen. Gaat dat dan niet ten koste van de winstgevendheid van het bedrijfsleven? Ja. Maar die winstgevendheid kan misschien wel een stootje hebben.

Een van de aardigste cijfers uit de ramingen van het CPB van afgelopen vrijdag was de zogenaamde arbeidsinkomensquote (aiq). Die geeft, kort gezegd, weer hoeveel van het nationaal inkomen toevalt aan lonen. Wat er over blijft, de kapitaalinkomensquote, geeft aan hoeveel van het nationaal inkomen toevalt aan de winsten van bedrijven.

De aiq kelderde dit jaar van 79,2 procent in 2014 naar 76,6 procent, en stijgt in 2016 nauwelijks (76,7 procent). Dat is vrij laag: in de tien jaar tot en met 2014 was de aiq gemiddeld 78 procent. En sinds het Centraal Bureau voor de Statistiek begon met tellen in 1969 bedroeg het gemiddelde 79,3 procent. De geschiedenis van de aiq is in wezen óók de geschiedenis van de gestage overwinning van de factor kapitaal op die van de factor arbeid. Van winst op loon. Met name de langdurige loonmatiging, bedoeld om de concurrentiepositie van Nederland te verbeteren, heeft erin gehakt.

 

Er is een andere manier om er tegenaan te kijken: Nederland heeft dit jaar en volgend jaar een overschot van bijna 11 procent op de betalingsbalans. Er zijn weinig landen die zo’n enorm overschot hebben.

Komt het omdat we eigenlijk te weinig consumeren? Nu heeft De Nederlandsche Bank inmiddels becijferd dat het overschot op de betalingsbalans vooral komt omdat met name grote bedrijven enorm goed bij kas zitten. Maar dat hoeft niet strijdig te zijn. Er is een historische samenhang tussen de laagte van de arbeidsinkomensquote en de hoogte van het overschot op de betalingsbalans. En dus kennelijk ook tussen het winstdeel dat het bedrijfsleven neemt van het nationaal inkomen en de bestedingen van consumenten.

De oproep tot een loonstijging klinkt dus redelijk: er is kennelijk ruimte voor, vooral bij grote bedrijven. Er is behoefte aan, om de economie vaart te laten behouden en het overschot op de betalingsbalans te drukken. Het kan helpen bij het wat verder opdrijven van de inflatie – liever dan al de huidige experimenten met het monetaire beleid. En bovendien: centrale bankiers dringen er zélf op aan. Het klinkt allemaal wellicht wat onconventioneel. Maar we leven ook niet in normale tijden.