Column

Vrij Nederland

Het is nog te vroeg om van de teloorgang van Vrij Nederland te spreken, maar het scheelt niet veel meer, vermoed ik. Het blad noemt het zelf ‘vernieuwing’, de aangekondigde overgang van weekblad naar maandblad. Wanneer je als weekblad al lijdt onder een gebrek aan urgentie, hoe valt dan te verwachten dat het als maandblad wel zal meevallen?

De vertrekkende hoofdredacteur laat weten dat hij ingenomen is met de kwaliteit van het blad; hij prijst de veelbekroonde onderzoeksjournalistiek. Toch is het hem en zijn voorgangers niet gelukt de afkalving van het lezerspubliek te voorkomen. Dat ligt aan allerlei vaak genoemde, externe oorzaken – internet, veranderde tijdgeest, ander leesgedrag van jongeren – maar het blad zou ook eens de hand in eigen boezem kunnen steken.

In het recente nummer van het blad De God van Nederland fileert de gepensioneerde uitgever Vic van de Reijt de Nederlandse pers inzake haar relatie met de Nederlandse literatuur. „Heel Holland bakt, maar de literaire kritiek bakt er steeds minder van.” NRC Handelsblad komt er nog genadig af, maar vooral de Volkskrant krijgt ervan langs, met name de zaterdagse bijlage waarin het literaire katern is opgenomen: „Het blijft een onduidelijk vod dat om onnaspeurbare redenen ‘Sir Edmund’ is gedoopt.”

Van de Reijt vindt dat de media de literatuur stiefmoederlijk behandelen. Hij doet ook een scherpe uitval naar VN: „Oh, die Boekenbijlages, van soms wel 64 bladzijden; alles werd erin besproken door de best mogelijke recensenten. Niks is ervan overgebleven, je mag tegenwoordig blij zijn als er één boek in VN aandacht krijgt.”

Dat klopt, en de hoofdredacteuren die dit jarenlange kroonjuweel van VN hebben afgeschaft, of niet meer in ere hersteld, valt heel wat te verwijten. Het was een van de belangrijkste pijlers onder het grote succes dat VN ooit was. De breedheid van de formule – Haagse politiek, spraakmakende reportages, interviews en columns, veel aandacht voor het boek plus sport – was wat VN tot zo’n sterk merk maakte. Wie alleen maar in één van die onderdelen geïnteresseerd was, kocht toch vaak het blad.

Op het hoogtepunt in 1978 lazen 117.000 mensen VN, nu zijn er nog maar 27.000 overgebleven. Die vette jaren van VN heb ik in de jaren zeventig en tachtig als redacteur voor een deel meegemaakt. Achteraf bezien was het een bloeiperiode die de kiemen van het latere bederf al in zich droeg.

Enige zelfgenoegzaamheid en de daarbij behorende navelstaarderij was de redactie niet vreemd. Er werkten grote ego’s die regelmatig met elkaar in botsing kwamen. Ik kan me nog herinneren dat op mijn eerste redactievergadering de ene redacteur in volle ernst tegen de andere zei: „Jij deugt als mens niet.”

Men kon weinig van elkaar verdragen en de redactie begon in kampen uiteen te vallen; een scheuring werd onafwendbaar. Er verschenen lijstjes van mensen die niet meer met bepaalde collega’s wilden samenwerken, er werden anonieme brieven verstuurd en een collega trof af en toe een drol of een doorboord poppetje op zijn kantoor aan.

Het zal straks ongetwijfeld smeuïg beschreven worden door John Jansen van Galen, die aan een boek over VN werkt. Hij vroeg ook mijn medewerking, maar ik had geen trek meer om 35 jaar later weer in die kelder vol zuur bier te moeten afdalen. Vrij Nederland – het is, wat mij betreft, geweest.