Column

Jihadvonnis verkent de grens met de vrijheid van meningsuiting

Als een vonnis over een groep overtuigingsdaders begint met uitgebreid te ontkennen dat hier een geloof wordt bestraft, wordt het tijd om op te letten. De uitspraak van de Haagse rechtbank van vorige week tegen een ‘jihadistische ronselgroep’ laat goed zien waar indirect oproepen tot geweld toe kan leiden. De strafrechter buigt zich dan over de omvang van de vrijheid van religie en de vrijheid van meningsuiting.

Dat zijn dus grondrechten in de democratische rechtsstaat, waar iedereen in beginsel mag zeggen of geloven wat hij wil. En dus ook of hij geworven wil worden, voor een geloof, een utopie of een ideologie. Zolang daar tenminste geen bedreigingen, aanzetten tot haat of geweld of openbare opruiing tot strafbare feiten aan te pas komt. De groep religieus-ideologische actievoerders die vorige week forse celstraffen kreeg, vormde volgens de rechtbank een criminele ‘ronselorganisatie’ die jongeren opruide om in Syrië te gaan vechten en geld voor ze inzamelde.

De hoogste straf was zes jaar cel. De laagste zeven dagen cel, en wel voor een ‘opruiende retweet’. Maar dan wel een die paste in een context, van gezamenlijk oproepen tot jihad. Iedereen die weleens op de knop ‘retweet’ drukt, zal dit tot nadenken stemmen. Be careful what you retweet, wie je vrienden zijn en aan wie je geld geeft. Dat dit de ‘Context-zaak’ heette, zegt ook iets over het glibberige terrein waarin juridisch onderscheid wordt gemaakt tussen direct en indirect oproepen tot geweld.

Het mensenrechtenhof in Straatsburg staat lidstaten vrij makkelijk toe opruiend materiaal te vervolgen en verbieden. Ook ‘apologie’, het goedpraten van terreurdaden, mag van Straatsburg worden vervolgd als zelfstandig strafbaar feit. Zonder dat de vrijheid van meningsuiting daardoor in het gedrang hoeft te komen.

Toch is dat wel degelijk de vraag. De Haagse rechtbank constateert met instemming dat de wetgever „ruim baan” wil geven aan het strafrecht in de strijd tegen opruiing tot terreur. Het vonnis ademt precies die geest en past dus in een tijd waarin politiek en burger ook om streng optreden vragen. Hier dus geen afstandelijke, academische, ‘wereldvreemde’ rechter, maar een geëngageerde, betrokken en responsieve rechter.

Maar leunt die deze keer niet te veel mee, naar de kant van het Openbaar Ministerie? Eerder veroordeelde dezelfde rechtbankvoorzitter in eerste instantie ook de Hofstadgroep als criminele organisatie. Dat hield in hoger beroep geen stand. Dit vonnis is stevig beargumenteerd, maar ook verstrekkend. Deze wetgeving is nog zó nieuw dat hoger beroep en cassatie hier voor meer evenwicht kunnen zorgen.