Column

Een klein meisje met oorontsteking

Een meisje van twee, te vroeg geboren en misvormd, een hazenlip met open gehemelte. Daarbij hartfalen. En nu heeft ze een acute oorontsteking, die begint te ontaarden in meningitis. De verpleegster heeft ijsklontjes op haar hoofdje gelegd, maar wat helpt dat? Het kind kermt van de pijn. Ze is reddeloos verloren.

Haar moeder, zeven maanden zwanger, wankelt wanhopig naar de dokter die net de slaapkamer is binnengekomen. Hij strekt zijn handen naar haar uit om haar te ondersteunen. Dan snelt haar man naar haar toe, pakt haar vast en legt haar in bed. „Ik verbied je op te staan, hoor je.”

Een scène uit Les Thibault, de romancyclus van de Fransman Roger Martin du Gard uit 1922. Hij won er in 1937 de Nobelprijs Literatuur mee. Het verhaal gaat over het leven van twee broers in de belle époque en eindigt met hun dood in de Eerste Wereldoorlog. Maar soms heb je bladzijden lang het gevoel dat het gisteren gebeurd is wat Du Gard beschrijft. Vooral als hij het over de oudste van de twee heeft, Antoine Thibault, een jonge kinderarts.

Je denkt: de dilemma’s rond euthanasie en levensbeëindiging bij onmondige kinderen – echt iets van deze tijd en heel erg Nederlands. Lees dan wat er door Antoine heengaat als hij ’s avonds weer naar het zieke meisje toe gaat en, de trap op lopend, nog maar één wens heeft: laat haar in godsnaam al gestorven zijn.

Helaas. Door de wand van haar slaapkamer heen hoort hij al haar nu onophoudelijke geschreeuw. Haar gezichtje is vlekkerig rood, haar pupillen glanzen metalig. Maar ze leeft nog. Antoine wil haar morfine geven. Alleen: dat mag volgens de richtlijnen pas om elf uur, en niet meer dan een kwart ampul, anders zou het kind eraan kunnen overlijden. En dat mag niet.

De vader van het meisje kijkt hem aan en zegt: „Er moet... Er moet iets gebeuren. Ze lijdt... Wat heeft het voor zin haar te laten lijden? We moeten de moed hebben om... om iets te doen... U, Thibault, u móét iets doen.”

Antoine gaat bij het bed van het kind zitten wachten tot het elf uur is. Dan vult hij de spuit tot het voorgeschreven niveau, gooit de rest in een emmer en geeft het kind de injectie. Daarna wast hij zijn handen en loopt de trap af naar buiten. Het kind leeft nog steeds.

Onderweg naar zijn huis in Rue de l’Université wordt hij geteisterd door twijfel en schuldgevoelens. „Is dit eerbied voor het leven? Of is dit blinde verering?”

Hij drinkt een glas whisky in een nachtrestaurant, en pas als hij om twee uur thuiskomt, leest hij het briefje van zijn knecht. De vader heeft gebeld. Het meisje is om één uur overleden.