Onze democratie kan niet zonder een strak regime

Van weigerambtenaar tot gedoogbeleid, we houden het vooral gezellig – en werkbaar. We zijn geen scherpslijpers. Maar voor de verdediging van een democratie is die houding niet zonder gevolgen, meent Bastiaan Rijpkema.

Jihadproces. Beeld ANP

Op de vraag: ‘waarom ben je eigenlijk vóór democratie?’, is het antwoord doorgaans: ‘tja, wat anders?’ – of een variant daarvan. Het is een begrijpelijk antwoord dat teruggaat op een eindeloos herhaalde uitspraak van Churchill: ‘democratie is de slechtste vorm van bestuur, op alle andere na’.

Zo’n weifelende intellectuele verdediging van democratie past naadloos in de Nederlandse traditie. Waarden worden niet geëxpliciteerd, want dat leidt alleen maar tot verdeeldheid. Ze worden toegedekt en we doen wat werkt. Dat was ongetwijfeld een noodzakelijk recept in het gesegregeerde Nederland van de verzuiling. Het leverde ons een kale Grondwet op waaruit alleen staatsrechtsgeleerden kunnen afleiden dat we een democratie zijn. Pogingen om een preambule aan de Grondwet toe te voegen strandden genadeloos. En met veel pijn en moeite is er nu een voorstel gekomen voor een ‘artikel 0’: ‘De Grondwet waarborgt de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten.’ Inspirerender wordt het niet. Toen minister Donner in 2006 opperde dat een tweederdemeerderheid de sharia moet kunnen invoeren en dat het zelfs een ‘schande’ zou zijn als dat niet zou kunnen, was het antwoord van de Tweede Kamer: een onderzoeksrapport. ‘Nader onderzoek’, het Nederlandse duizenddingendoekje. De motie van Pieter Heerma (CDA) waarin hij de regering opriep om werk te maken van de verdediging van de democratie werd door HP/de Tijd uitgeroepen tot ‘meest bizarre motie’ van 2014. Tjonge, want dat was toch wel grappig: nadenken over de grenzen van ons democratische staatsbestel vóórdat een reële dreiging zich voordoet.

En zo kabbelen we voort. Heel erg is dat ook niet. Het gaat ons doorgaans vrij goed af. Van weigerambtenaar tot gedoogbeleid, we houden het vooral gezellig – en werkbaar. We zijn geen scherpslijpers. Maar voor de verdediging van een democratie is die houding niet zonder gevolgen.

Allereerst: we zijn zo gewend geraakt aan onze democratisch-rechtsstatelijke consensus dat we expliciete uitdagers van die orde niet meer als zodanig herkennen. De zogenaamde Islamitische Staat pleegde en inspireerde aanslagen in onder meer Frankrijk, Australië, Canada, de VS, Denemarken, Turkije, Egypte en Tunesië. IS maakte daarbij in totaal, buiten Irak en Syrië, dit jaar al bijna duizend slachtoffers, becijferde The New York Times. En of het nu ging om de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo of op het concertpubliek in de Bataclan, steeds leverden de terroristen een deels ideologische onderbouwing voor hun terreurdaden. Ze richtten zich op de vrijheid van expressie (Charlie Hebdo), democratische besluitvorming en de culturele vrijheid in algemene zin (Bataclan). Voor ons zijn het ‘gekken’ of ‘sociaal teleurgestelden’. Dat er Franse, maar ongetwijfeld ook Nederlandse burgers zijn die zichzelf buiten onze democratische orde plaatsen – het gaat ons voorstellingsvermogen te boven.

Ten tweede: het ontbreekt ons aan sensitiviteit voor principiële kwesties, voor zaken die raken aan fundamentele democratische waarden. Momenten dus, waarop we ons pragmatisme even moeten laten varen. Bijvoorbeeld als Theo van Gogh door een religieus extremist wordt vermoord. Dan krijg je een minister-president (Balkenende) die juist opiniemakers vermanend toespreekt – even rustig aan. En een minister van Justitie (Donner) die oppert om het verbod op godslastering weer tot leven te wekken. Of, de klassieker in dit genre: minister van Buitenlandse Zaken Van den Broek die live inbelt in een televisie-uitzending om de vertoning van een stukje satire van Rudi Carrell te verhinderen, of althans daarom slechts te verzoeken – zoals hij het zelf zag. Dat was 1987; we kunnen bogen op een lange traditie.

Ten derde: de onmacht om onze waarden duidelijk uit te spreken zit ook dieper in ons systeem. Dan gaat het om het instrument dat Marcouch wil inzetten om salafistische organisaties te verbieden: het verenigings- en partijverbod. Een cruciale bepaling in een democratie. Verenigingen en partijen kunnen verboden worden op grond van strijd met de ‘openbare orde’, maar juristen en zelfs rechters tasten in het duister over de precieze betekenis van deze bepaling. Natuurlijk, een beroepsvereniging voor inbrekers kan verboden worden. Maar onduidelijk is of dat bijvoorbeeld ook geldt voor een evident antidemocratische partij als er géén strafbare feiten bewezen kunnen worden. Dit is een weeffout in ons systeem, en onverteerbaar in een democratie: de grenzen van het democratische speelveld moeten duidelijk zijn. Mag je democratische rechten gebruiken om die rechten uiteindelijk aan anderen te ontnemen? Mag je ijveren voor het einde van de democratie, gehuld in het kleed van de legaliteit, zolang je maar binnen de strafrechtelijk bewijsbare lijntjes kleurt?

Dit vraagt om principiële keuzes, vast te leggen in een nauwkeurig omschreven verbodsbepaling. Alleen een dergelijk, weloverwogen verbodsregime is bruikbaar bij democratische zelfverdediging. Sterker nog, alleen een scherpomlijnde verbodsregeling kan misbruik van dit zware middel voorkomen. Onze huidige regeling voldoet niet. Dat werd in de jaren dertig al geconstateerd en sindsdien is dat niet substantieel veranderd. De juridische acrobatiek in de procedure tegen Vereniging Martijn liet dat recent nog zien.

Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden

Het is onwaarschijnlijk dat deze vragen altijd theoretisch blijven. Europese democratieën lijken niet snel in rustiger vaarwater te komen. De AIVD houdt in Nederland rekening met een toename van het draagvlak voor onverdraagzame en ondemocratische opvattingen, typerend voor het jihadisme. Frankrijk kreeg meerdere aanslagen te verwerken en verlengde de noodtoestand met drie maanden. Ook het rechtsextremisme laat van zich horen: in Duitsland stond in oktober elke nacht een asielzoekerscentrum in brand; in Frankrijk haalde het uiterst rechtse Front National deze maand een historische verkiezingsoverwinning in de eerste ronde van de regionale verkiezingen. Wilders is natuurlijk van een andere orde, maar zijn partij opperde intussen al wel om moslims uit het leger te weren en de Koran te verbieden. En al gaat het straks slechts om een radicale splinterpartij of groepering: kunnen we het ons – democratisch gezien – werkelijk veroorloven om zo’n partij te verbieden op basis van een vage verbodsgrond?

Een democratie moet zich teweerstellen tegen antidemocratische dreigingen. Voor Nederland betekent dat allereerst: democratische waarden expliciteren. Niet bepaald onze nationale hobby; eerder het breken met een lange traditie. Maar alleen een democratie die weet welke waarden ze verdedigt herkent haar existentiële uitdagers, stelt zich principieel op wanneer dat nodig is en hanteert haar zwaarste middel – het partij- en verenigingsverbod – spaarzaam, maar op het juiste moment.

We hebben democratisch huiswerk te doen. Denken dat we zonder die voorbereiding ook wel slagen bij een onverwachts examen zou getuigen van een historisch niet te rechtvaardigen zelfgenoegzaamheid.

Lees ook het opiniestuk van hoogleraar mensenrechten Tom Zwart: 'Vonnis schadelijker dan woorden jihadist'