Borst sparen lijkt beter dan amputeren

Vrouwen met borstkanker hebben meer kans om hun ziekte te overleven als ze voor een borstsparende operatie kiezen.

Een onderzoeker bekijkt een mammogram, een röntgenopname van de borsten om borstkanker op te sporen. Foto Hollandse Hoogte

Een operatie tegen borstkanker waarbij de borst gedeeltelijk behouden blijft, lijkt beter dan een operatie waarbij de chirurg de borst helemaal weghaalt. Van Nederlandse borstkankerpatiëntes die hun kanker met een borstsparende operatie laten weghalen, zijn er tien jaar later relatief meer in leven dan van patiënten die hun borst weg laten halen. Het gaat om patiënten met een vergelijkbare ernst van ziekte.

Dat blijkt uit een onderzoek onder ruim 37.000 patiëntes die tussen 2000 en 2005 werden geopereerd aan borstkanker en in principe de keus hadden tussen een gedeeltelijke (borstsparende) operatie of een operatie waarbij de borst werd weggeopereerd. De resultaten, geput uit gegevens van de Nederlandse Kankerregistratie, zijn vorige week donderdag bekendgemaakt op een internationaal borstkankercongres in het Amerikaanse San Antonio.

Het onderzoek krijgt veel aandacht in de VS, omdat, schrijven Amerikaanse kranten, vrouwen daar weer vaker kiezen om hun borst weg te halen zodra er kanker in groeit. Artsen werken daaraan mee, omdat ze bang zijn voor financiële claims als de kanker toch terugkeert. Ook vrouwen die door erfelijke aanleg een hoge kans op borstkanker hebben, maar bij wie geen kanker is geconstateerd, laten steeds vaker preventief beide borsten verwijderen. Rolmodellen spelen een rol bij die beslissing, zoals actrice Angela Jolie die in 2013 bekendmaakte dat ze haar borsten preventief had laten amputeren.

Het Nederlandse onderzoek is gedaan bij vrouwen met een relatief kleine, plaatselijk groeiende borstkanker. Dat is een veelvoorkomende vorm. De tumor is dan meestal kleiner dan 2 centimeter en er worden geen kankercellen in nabijliggende lymfeklieren gevonden.

Van de patiënten die een borstsparende operatie lieten doen, leefde na 10 jaar nog 76,8 procent, tegen 59,7 procent van de vrouwen die hun borst lieten weghalen. De overleving was dus beter na de borstsparende operatie, maar in beide groepen was ruim 80 procent na tien jaar nog helemaal vrij van borstkanker.

Eerdere studies, tussen 1990 en 2005 verschenen, lieten steeds geen verschil in overleving zien tussen borstverwijdering en de borstsparende operatie. Het waren onderzoeken waarbij patiëntes door het lot werden aangewezen om een borstsparende of borstverwijderende operatie te ondergaan.

Borst sparen is al eerste keus

Op basis van die onderzoeken is de borstsparende operatie in Nederland in principe de eerste keus. Borstverwijdering wordt alleen gedaan als de patiënt dat graag wil, als de kanker op een plaats groeit waardoor de borst erg misvormd zou worden, of als er andere aanwijzingen zijn dat de tumor moeilijk te verwijderen zal zijn.

In het nieuwe, grote en langer durende onderzoek is gekeken naar de praktijk. De behandeling werd niet door het lot bepaald, maar werd door patiënten en behandelaren bepaald. Technisch gezien is dat geen gerandomiseerde, maar een observationele studie. Bijna 60 procent van de ingrepen was borstsparend. Iets meer dan 40 procent van de vrouwen liet hun aangedane borst weghalen.

Waarom deze studie een ruim 20 procent betere overleving laat zien bij de borstsparende therapie is nog onduidelijk. De onderzoekers denken dat de bestraling na de borstsparende therapie ondetecteerbare, achtergebleven kankercellen doodt. Na een borstverwijdering volgt meestal geen bestralingskuur.