Voldoet het toezicht op toezichthouders?

Bij Het Nieuwe Instituut is ingegrepen nu de governancecode geschonden blijkt. Is dat genoeg?

In Het Nieuwe Instituut is tot 18 mei de tentoonstelling het Tijdelijke Modemuseum te zien. Foto Johannes Schwartz

Het was nog volop zomer toen de Wassenaarse architect Kees van der Hoeven dit jaar een brief stuurde aan minister Bussemaker (PvdA, OCW). Hij meldde een vermoeden van belangenverstrengeling bij Het Nieuwe Instituut in Rotterdam.

Directeur Guus Beumer van deze instelling – een fusie van het Nederlands Architectuurinstituut, Premsela (Design en Mode) en Virtueel Platform (e-cultuur) – had zijn levenspartner Herman Verkerk een opdracht van 35.000 euro bezorgd voor een tentoonstelling. En een lid van de raad van toezicht van het instituut, José Teunissen, had twee opdrachten gekregen. Dat was in strijd met de Governance Code Cultuur, signaleerde Van der Hoeven. Of de minister wilde ingrijpen.

Bussemaker reageerde op 10 augustus per brief. Ze had navraag gedaan bij de raad van toezicht. Die had haar verzekerd dat de code keurig gevolgd was, net als alle andere regels. Eigen onderzoek deed Bussemaker niet. Toch schreef ze: „Ik constateer dat de raad van toezicht in het gehele proces [...] uiterste zorgvuldigheid heeft betracht, juist gezien de betrokkenheid van de partner van de directeur-bestuurder de heer Beumer en een RvT-lid.” Ze zag „geen reden” in actie te komen.

Vorige week publiceerde een onafhankelijke onderzoekscommissie haar oordeel over de opdrachten voor Herman Verkerk en José Teunissen. De governancecode blijkt wel degelijk geschonden; Beumer heeft zijn raad van toezicht „niet en niet tijdig” informatie verschaft over de opdrachten en de interne regels deugen niet, net zo min als „de binnen Het Nieuwe Instituut levende opvatting dat het voor de hand ligt dat leden van de raad van toezicht betaalde opdrachten vervullen voor het instituut”.

Bussemaker reageerde niet op de uitkomst. De raad van toezicht, voorgezeten door voormalig secretaris-generaal van het ministerie van OCW Koos van der Steenhoven, wel. Die maakte bekend te zullen opstappen. Beumer blijft. Hij krijgt een zakelijk directeur naast zich.

De vraag is of het probleem daarmee uit de wereld is. Het nepotisme van Beumer is immers endemisch. Hij heeft inmiddels bij Het Nieuwe Instituut een schare bekenden benoemd. Ook voormalige zakenpartners van Beumer kregen opdrachten. Zo werd de reorganisatie begeleid door het adviesbureau van een zakenpartner van Beumer.

Uit onderzoek van NRC bleek bovendien dat Beumer in eerdere functies zijn levenspartner meer dan 30 opdrachten bezorgde. Telkens betaald met subsidiegeld. Daar kwam bij dat hij als directeur van twee Maastrichtse culturele instellingen zijn eigen modebedrijf voor 38.000 euro opdrachten gaf. De toezichthouders wisten van niets. Ook toen schond hij al de gedragscode voor de culturele sector.

Later maakte Beumer als voorzitter van modestichting Co-Lab in Amsterdam zeker 60.000 euro subsidie over aan zijn eigen modebedrijf. De subsidiegevers wisten opnieuw van niets.

Over die kwestie schreef architect Van der Hoeven in september maar weer eens een brief aan Bussemaker. Publiek geld is onrechtmatig besteed, waarschuwde hij. Of de minister wilde ingrijpen.

Bussemaker zag opnieuw „geen reden”. Een nader onderzoek naar de subsidieverantwoording (uit 2010) van de stichting was niet nodig, schreef ze 25 november terug. Bussemaker had als minister slechts „een stelselverantwoordelijkheid”. En het ‘stelsel’ had gefunctioneerd: „Er is een aanvraag ingediend door stichting Co-Lab waarop [...] subsidie is verleend. De subsidie is vervolgens vastgesteld op grond van een door de stichting Co-Lab ingediende verantwoording met een goedkeurende accountantsverklaring.”

Van der Hoeven begrijpt de lankmoedigheid niet. „Niemand wist dat die subsidie bij Beumers eigen bedrijf belandde. Ook de accountant niet. Wat moet er nog meer gebeuren voordat Bussemaker in actie komt?”

Van der Hoeven heeft inmiddels een brief op de bus gedaan naar de commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Tweede Kamer. In de hoop dat daar wel „enige aandacht” is.