Ze zijn er uit: het Rijks krijgt het portret van Maerten, het Louvre dat van zijn vrouw

Huwelijksportret (1634) van Oopjen Coppit.

Huwelijksportret (1634) van Maerten Soolmans.

Nederland wordt eigenaar van het portret van Maerten Soolmans, dat van zijn vrouw Oopjen komt in Franse handen. Dat bevestigt een woordvoerder van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Omdat de onderhandelingen nog lopen, zullen de schilderijen niet voor het einde van het jaar in het Rijksmuseum hangen, zoals Nederland wilde.  

Toen Nederland en Frankrijk eind september na lang touwtrekken bekendmaakten samen de doeken te willen kopen, was het de bedoeling dat ze samen eigenaar werden van beide schilderijen. Althans, dat wilde Nederland. Hierdoor zouden nooit verschillende besluiten kunnen vallen over bijvoorbeeld onderhoud of verzekering. Frankrijk heeft er altijd op ingezet dat beide landen ieder één schilderij krijgen, met de afspraak dat ze altijd naast elkaar zullen hangen en nooit apart worden verkocht. De Nederlandse eigendomsvorm bleek juridisch ingewikkeld te zijn, waardoor Parijs nu zijn zin krijgt.

Huwelijksportret (1634) van Oopjen Coppit.

Beide landen betalen de helft van de 160 miljoen die de eigenaren, de Franse bankiersfamilie Rothschild, ervoor vragen. Dat blijkt uit een aankondiging in het Franse staatsblad, waarin bekendgemaakt werd dat Frankrijk 80 miljoen uittrekt voor Oopjen. De Franse staat laat in de aankondiging weten dat bedrijven die meebetalen belastingvoordeel krijgen. Een bijdrage door bedrijven is slechts theoretisch: de Banque de France betaalt de 80 miljoen. Maar zonder die officiële mededeling zou de centrale bank zelf geen aanspraak kunnen maken op het belastingvoordeel.

Onlangs werd via NRC bekend dat bij de onderhandelingen tussen Nederland en Frankrijk discussie was over de vraag wie welk schilderij kreeg: Maerten zou veel meer waard zijn, onder andere omdat hij gesigneerd is en omdat Rembrandt er meer zijn best op zou hebben gedaan. De Franse kunstjournalist Didier Rykner schrijft nu in La Tribune de l’Art dat dat ook zijn indruk is, maar dat er kenners zijn die Oopjen hoger inschatten.