De man die Indonesië echt begreep

Benedict Anderson (1936-2015)

Politicoloog

Anderson schreef belangrijke studie over nationalisme.

Politicoloog en Indonesiëkenner Benedict Anderson, tijdens een bezoek aan Nederland in 2005. Foto Kick Smeets / HH

Benedict (Ben) Anderson, wereldburger en theoreticus van het moderne nationalisme, overleed afgelopen weekend onverwacht in Malang, op het Indonesische eiland Java. Hij stierf in zijn slaap, in het land dat hij liefhad, maar dat hem een kwart eeuw de toegang ontzegde. Want de liefde van Anderson voor Insulinde was niet kritiekloos.

De politicoloog Anderson behoorde met zijn jongere broer Perry, een marxistisch historicus, tot een generatie intellectuelen die de wereld leerde kennen als kinderen van het Britse Rijk, zich verzette tegen de laatste imperialistische avonturen en genegenheid opvatte voor de volken die zich na de Tweede Wereldoorlog vrijvochten van koloniale overheersing. Voor Benedict was dat Indonesië, dat hij volgens Indonesische vrienden beter begreep dan zijzelf.

Andersons beroemdste boek, Imagined Communities (1983), was er nooit gekomen zonder zijn Indonesische ervaringen. In deze invloedrijke studie van het nationalisme stelt hij vragen als: wat houdt zulke etnisch en taalkundig verscheiden volken als het Indonesische bijeen, en ook: waarom vallen ze soms uiteen? Anderson zag nationalisme als ‘integrerende verbeelding die ons in staat stelt solidariteit te voelen met vreemden’ – anders dan veel tijdgenoten, voor wie nationalisme pathologische kantjes had, wortelde in angst voor en afkeer van anderen, zelfs grensde aan racisme.

Zelf had Anderson eigenlijk geen eigen land. Hij werd geboren in 1936 in het Chinese Kunming, waar zijn vader werkte voor de zeedouane van het Britse Rijk en zich onderscheidde door zijn strijd tegen corruptie.

De Andersons kwamen uit Ierland, waar ze behoorden tot de Engelse bovenlaag. Benedict voelde zich echter Ier noch Engelsman. Hij ging politieke wetenschappen studeren in Cambridge en sloot zich in 1956 aan bij het politieke verzet tegen het Brits-Franse ingrijpen tijdens de Suez-crisis.

Anderson verdiepte zich in de politieke cultuur van het pas onafhankelijke Indonesië. Daar kwam het egalitarisme van een sterke linkse beweging in botsing met de dominante Javaanse cultuur en zijn autoritaire hoftradities. De Indonesische strijdkrachten, die zich beschouwden als de erfgenamen van de anti-koloniale strijd, waren ernstig verdeeld. Een deel van de officieren steunde de naar links neigende president Soekarno. Anderen, onder wie de Javaan Soeharto, verafschuwden diens vrijage met de grote communistische partij, de PKI. Dit kruitvat ontvlamde toen linkse officieren op 1 oktober 1965 rechtse generaals ontvoerden en ombrachten omdat deze een coup zouden hebben beraamd tegen Soekarno. Dit was voor Soeharto cum suis het excuus om een moordpartij te ontketenen onder alles wat links was. Een half miljoen Indonesiërs kwamen om.

Dit bloedbad veranderde Andersons leven. Het ‘voelde als ontdekken dat je geliefde eigenlijk een moordenaar is’, schreef hij. In 1966 stelde hij met collega’s het zogenoemde Cornell Paper op, waarin de officiële versie (‘een communistische couppoging’) werd ontzenuwd. Anderson was in 1971 één van de twee westerse waarnemers bij het proces waar Sudisman, de secretaris-generaal van de PKI, ter dood werd veroordeeld. In 1972 werd hem de toegang tot Indonesië ontzegd. Die ballingschap eindigde pas toen president Soeharto in 1998 tot aftreden werd gedwongen.

Correcties en aanvullingen

Benedict Anderson

In De man die Indonesië echt begreep (15/12, p. 19), over Benedict Anderson, is voor biografische gegevens geput uit The New Republic (13/12).