Column

Bodemloze putten

Moet de overheid voetbalclubs steunen? Een familielid liet me weten dat het financieel slecht gaat met mijn oude voetbalclub, VVV uit Venlo. Ze hebben vijf ton subsidie van de gemeente nodig, anders redden ze het niet. Het gemeentebestuur voelt er weinig voor.

Toen ik het hoorde, bloedde mijn hart maar een klein beetje. Ik heb daar als jonge voetbalsupporter onvergetelijke jaren meegemaakt op de tribune; alleen al die overwinningen, mede dankzij Faas Wilkes en Jan Klaassens, op een dodelijk beangst Ajax met een Sjakie Swart, die mij jaren na zijn carrière bekende hoeveel ontzag hij had gehad voor die snelle, harde linksback… Hay Steegh. Wie kent zijn naam nog? Sjakie dus. VVV ‘thuis’ was toen voor topclubs als Ajax het FC Utrecht van nu.

Moet ik nu niet opkomen voor mijn clubje? Ik kan het niet goed opbrengen. Als journalist heb ik later te vaak gemerkt hoe gemakkelijk veel clubs zich die overheidssteun lieten aanleunen. De gemeenteraad mopperde over een bodemloze put, de wethouder smoesde wat met de clubbestuurders en streek vervolgens met zijn hand over zijn voetbalhart. Zo ging dat jarenlang, en zo gaat dat hier en daar nog steeds.

Mijn aarzeling werd nog groter toen ik gisteren bij De Correspondent een interessant artikel van Michiel de Hoog las over een 72-jarige gepensioneerde topambtenaar (van VWS), Loek Jorritsma geheten, die in z’n eentje een soort kruistocht voert tegen staatssteun aan het betaald voetbal. Hij heeft zich tot de Europese Commissie gewend, die op basis van deze en andere klachten twee formele onderzoeken heeft ingesteld. Er moet nog een oordeel volgen.

Jorritsma klaagde niet alleen over een aantal Nederlandse clubs, waaronder PSV, Vitesse, Willem II en recentelijk ook FC Twente, maar ook over Real Madrid en Valencia. „Een campagne tegen het Spaanse voetbal”, noemde de voorzitter van Real de actie.

Jorritsma vindt de overheidssteun aan dergelijke clubs competitievervalsing en verkwisting van belastinggeld. Zulke steun is niet verboden, maar wel aan strikte voorwaarden gebonden. Zo mag een Nederlandse club alleen herstructureringssteun krijgen „als de oorzaak van de verliezen wordt weggenomen”. Ook mag die steun maar één keer in de tien jaar verleend worden. Bovendien moeten de gemeenten de Europese Commissie tevoren over de steun inlichten.

Wat mij in het verhaal van Jorritsma vooral aanspreekt, is de aanleiding voor zijn actie. Hij had in 2010 op verzoek van de gemeente Edam-Volendam een sportvisie geschreven waarin staatssteun aan FC Volendam werd uitgesloten. Kort daarna won Willem II in de nacompetitie van Go Ahead Eagles en vroeg (en kreeg) steun van de gemeente Tilburg.

„Het gore lef”, zegt Jorritsma tegen De Correspondent, „dus ze geven te veel geld uit aan spelers, blijven daardoor ten koste van Go Ahead Eagles in de eredivisie en houden daarna hun hand op bij de gemeente? Dat kán toch niet!”

Maar het kan wel, het zou alleen niet moeten kunnen.

Voetbalclubs beroepen zich vaak op hun maatschappelijke nut. Zijn ze soms minder waard dan het plaatselijke orkest of toneelgezelschap? Nee, dat zijn ze niet, maar wel is de put van hun schulden doorgaans dieper en donkerder – want de voetbalwereld is een zeer schemerig rijk met tal van duistere hoofdpersonen die uit zijn op eigen gewin of roem, liefst op kosten van de gemeenschap.