brieven

Zo’n titel verschaft bezoeker informatie

Gevoelige termen in de collectie van musea worden onder de loep genomen (12/12). Woorden als negerinnetje, Hottentot en kaffer worden vervangen. Een term kan als kwetsend worden ervaren in een bepaalde context, maar in een museum op een bordje gaat het over wat je ziet. Het is geschiedenis van de taal, daar moet je niet aankomen. Een zwarte bediende verschafte aanzien bij een witte familie. Dat wordt niet verheerlijkt of geroemd, het staat er omdat een museum de bezoeker informatie verschaft. De geschiedenis kun je niet veranderen door de woorden te wijzigen. Bezoekers komen naar het museum om het Joodse Bruidje van Rembrandt te zien. En zij zien het mooiste rood van de wereld, niet een zinspeling op een vooroordeel.

Psychische sores

Mijn conclusie na Eskimo’s en bosnegers verdwijnen (10/12): er zijn kennelijk musea die zich niet bewust zijn van hun taak. Die taak is niet alleen het bewaren van oude dingen, maar vooral het plaatsen ervan in hun context. Ik moest denken aan een schilderij van Robert-Fleury: ‘Pinel bevrijdt de krankzinnigen van de Salpêtrière van hun ketenen’. Moeten we ‘krankzinnigen’ vervangen door ‘mensen met psychische problemen’? Nee toch?

Bert Wiechers Zwolle

‘Zwart’ laat je weg

De discussie over de etnische aanduidingen bij de collectie van het Rijksmuseum krijgt iets hilarisch. Zijn we collectief kleurenblind? De meeste bijvoeglijke naamwoorden kunnen eenvoudig weggelaten worden. ‘Zwarte’ bediende bij Margareta van Raephorst? Het ‘zwart’ kan echt wel weg, tenzij er zou staan dat de vrouw in kwestie ‘wit’ is. ‘Negerinnetje voor Stuiverskerkhof’ wordt ‘Surinaams meisje voor Stuiverskerkhof?’ Nee natuurlijk. Het museum kan volstaan met ‘Meisje voor Stuiverskerkhof’. Tenslotte is dat wat we zien. Het weglaten van onnodige bijvoeglijke naamwoorden leidt tot waardenvrije omschrijving.

Michael Nieuwenhuizen en Mirjam de Rijke Amsterdam

Bosnegers

Het Rijksmuseum geeft het voorbeeld ‘bosneger’ als term die beledigend zou zijn voor de bewoners van het binnenland van Suriname. Ik heb in mijn vroege jeugd in het binnenland van Suriname gewoond tussen mensen die zichzelf bosneger noemden. Bosnegers zijn trots op hun naam, die duidt op hun afstamming van de gevluchte en vrijgevochten slaven die voor zichzelf al in de achttiende eeuw politieke autonomie hadden afgedwongen. Inderdaad in het bos, het binnenland. Als er een bezwaar is gemaakt tegen deze term dan is het zeer onwaarschijnlijk dat dat afkomstig was van een bosneger. Het initiatief om de collecties te ontdoen van vooroordelen en stigma’s is te prijzen. Maar om dat verantwoord te doen is de inzet nodig van etnografen, lexicologen en (koloniale) historici.

Gijs van Donselaar UvA