Vrouwen waren volgens haar de slaven van de wereld

Andreas Burnier was een van de voorlopers van de homo-emancipatie in Nederland. Elisabeth Lockhorn schreef een indringende biografie van deze complexe vrouw. Burniers joodse essays zijn een mooie aanvulling op die levensbeschrijving.

De circa 11-jarige Irma Dessaur op de motor, aan het begin van de Duitse bezetting Foto uit de besproken biografie

Eerst en vooral een overlevende van de Shoah. Zo typeerde schrijver en NRC-journalist Nol van Dijk in 2003 Andreas Burnier, die een jaar eerder plotseling was overleden. Hij kende de androgyne schrijfster, feministe en criminologe al sinds zijn kindertijd in het vooroorlogse Den Haag, toen ze elkaars beste ‘vriendjes’ waren. Tijdens de Duitse bezetting ondergingen ze een vergelijkbaar lot: gescheiden van hun joodse ouders zaten ze, afzonderlijk van elkaar, ondergedoken bij gelovige christenen in de provincie. Van Dijks ouders overleefden de oorlog niet, die van Burnier wel. Na 1945 bleef van de oorlog de angst over, die beiden in hun boeken, carrières en liefdes trachtten te bezweren.

Anders dan Van Dijk, die niets op had met zijn joodse achtergrond, vond Burnier de laatste tien jaar van haar leven onderdak bij het jodendom. Onder de indruk van de joodse begrafenissen van Abel Herzberg en haar vader, en na een bezoek aan Dachau, wordt ze op haar 58ste lid van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam. In een interview zei ze erover: ‘Ik had het jodendom weggedaan. Ik was er doodsbang voor, maar zelf wist ik dat niet. Veertig jaar na de duitse terreur begon mijn weerstand af te brokkelen.’ Alleen al dat duits zonder hoofdletter D zegt veel over haar houding ten opzichte van onze oosterburen.

Het jodendom had Burnier niet van haar geassimileerde ouders meegekregen, maar hoogstens van haar orthodox-joodse grootouders. Je kunt het opmaken uit haar essays in de door Daniel van Mourik en Manja Ressler bezorgde bundel Ruiter in de wolken. Joodse essays 1990-2002, die samen met de biografie van Elisabeth Lockhorn verscheen. Burnier komt uit deze essays naar voren als een erudiete, sensibele analytica van haar eigen ziel, die tegelijkertijd aan zichzelf, in kraakhelder proza, wil uitleggen waar haar late fascinatie voor het jodendom vandaan komt en waarom ze die leer zo bijzonder vindt. Het resultaat is een boeiende cursus jodendom voor beginners en gevorderden.

Daarnaast biedt Lockhorn in haar voortreffelijke biografie Andreas Burnier, metselaar van de wereld een evenwichtig beeld van deze complexe vrouw, die in 1931 in Den Haag werd geboren als Catharina Irma Dessaur. Haar vader was de zoon van een sleutelmaker uit de oude joodse wijk in de Haagse binnenstad, haar moeder een slagersdochter uit de Achterhoek. Haar vroege jeugd was er een zoals in veel andere geëmancipeerde joodse gezinnen. Vader ging in de handel en klom op naar de middenstand, moeder zorgde voor het huishouden. Dochter Irma speelde met haar vriendinnetjes en het liefst met haar vriendjes, want ze voelde zich al vroeg meer jongen dan meisje.

Zestien onderduikadressen

En dan breekt de oorlog uit en wordt alles anders. De Dessaurs duiken in 1942 ieder afzonderlijk onder. Irma wisselt zestien keer van onderduikadres. In Drenthe, waar ze bij de gereformeerde fietsenmaker en verzetsstrijder Geert Migchels is ondergebracht, gaat het mis. Migchels wordt in 1944 tijdens een razzia gearresteerd en zal in Duitse gevangenschap omkomen. De 13-jarige Irma, die er naar de christelijke school en de kerk gaat, ontkomt op het nippertje. Drie maanden lang zwerft ze in haar eentje rond, ’s nachts slapend in het struikgewas, totdat ze zich weer bij haar vader voegt. Over die periode zal ze niets loslaten, net zomin als ze ooit zal toegeven dat Migchels arrestatie mogelijk iets te maken had met zijn verzetsactiviteiten en het feit dat zij bij hem ondergedoken zat. Volgens Lockhorn zweeg ze omdat zo’n conclusie voor haar te bedreigend zou zijn. Wél beschrijft Burnier in haar onderduikroman Het jongensuur (1969), waarin de hoofdpersoon een meisje is dat een jongetje wil zijn, het gereformeerde milieu van Migchels.

De eerste zestig pagina’s van Lockhorns biografie kun je lezen als een verklaring voor Burniers gedrag na de oorlog: wegduikend voor emoties en echte intimiteit, hardwerkend en ambitieus, verstrikt in ingewikkelde liefdes – alles om maar niet aan die oorlog te hoeven denken. Tegelijkertijd komt Lockhorn met de nuance dat die oorlog niet voor alles een verklaring hoeft te bieden. Wel leidt dat oorlogstrauma ertoe dat Burnier haar twee kinderen in 1961, na haar scheiding van Emanuel Zeylmans van Emmichoven, in pleeggezinnen stopt. Jarenlang heeft ze amper contact met hen.

Behalve de problematiek van slachtoffers van de jodenvervolging vormt ook de antroposofie een rode draad in Burniers leven. Als student filosofie in Amsterdam komt ze in aanraking met de sekte rond het tijdschrift Castrum Peregrini, waar een homo-erotische sfeer hangt tussen de jonge heteromannen die er deel van uitmaken. De antroposofie blijft ze tot aan haar ontdekking van het jodendom aanhangen.

Actief bij Dolle Mina

Na haar scheiding rondt ze haar studie filosofie af en werkt ze een tijdje op een ministerie, totdat de Leidse hoogleraar W.H. Nagel haar in 1969 een onderzoeksbaan bezorgt. Twee jaar later, ze heeft dan al enkele verhoudingen met vrouwen achter de rug, volgt haar benoeming aan de conservatief-katholieke Nijmeegse universiteit. Ze wordt er al snel hoogleraar.

Lockhorn beschrijft hoe rector magnificus W. van der Grinten nog tegensputterde toen hij ontdekte dat achter dr. C.I. Dessaur de homoseksuele schrijfster Andreas Burnier stak, waarop professor F. Duynstee, de voorzitter van de benoemingscommissie waarin ook Dries van Agt zat, zijn bezwaren wist weg te nemen. Burnier werd vervolgens de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de Nijmeegse rechtenfaculteit. Ze was toen al actief in vrouwenemancipatiebewegingen als Man Vrouw Maatschappij en Dolle Mina. Vrouwen vormden volgens haar als groep de door sociale druk in stand gehouden ‘slavenkaste’ van de samenleving.

Behalve als centrale figuur in een clubje androgyne vrouwen, die zich als mannen kleden en naar mannennamen luisteren, manifesteert Burnier zich in het Nijmegen van de jaren zeventig behalve als schrijfster als een bevlogen strijdster tegen de vervlakking in de wetenschap, die in het kielzog van de studentenrevolte op de loer ligt. Later is ze ook op op andere gebieden een conservatief. Zo vindt ze dat abortus niet als iets gewoons moet worden beschouwd, omdat het een vreselijke ingreep is, al is ze voorstander van het decriminaliseren ervan. Even behoudend is ze ten tijde van de het opstellen van de euthanasiewet. Zo ageert ze in 1985 in een essay tegen deze vorm van levensbeëindiging, die in haar ogen een vrijbrief voor overheid en artsen is om heer en meester over dood en leven te spelen. Die opstelling blijkt vooral gestoeld te zijn op Burniers afkeer van de eugenetica van de nazi’s en op haar weerzin tegen de overgerationaliseerde wetenschap. De oorlog bepaalt dus nog altijd haar denken. Van criminoloog en schrijfster van romans over homoseksuele vrouwen is ze steeds meer een ethica geworden.

Dat ze uiteindelijk het jodendom omhelst, is dan ook niet zo vreemd, omdat juist die leer duidelijke richtlijnen voor het leven geeft en een houvast biedt waarin ze zich geheel kan vinden. Misschien nog wel meer dan in haar rol van vrouwelijke pendant van Gerard Reve als strijder voor de homo-emancipatie.