Van Muiswinkel: rake grappen

Erik van Muiswinkel in zijn nieuwe programma ‘De olieworstelaar’.Foto Lies Geluk

Tegenover buitenlandse tv-zenders verdedigt Erik van Muiswinkel gaarne en uitgebreid de Sinterklaas-traditie, als een curieuze mix van feest en straf. Maar hij, de Hoofdpiet in het Sinterklaasjournaal, zegt ook: dat oer-Hollandse kinderfeest is onschuldig en goed bedoeld, maar in essentie wel een tikje racistisch. En als je hoort hoe en door wie het wordt verdedigd, en met welke „Reviaanse volzinnen” (‘apen die terugmoeten naar hun kokosnotenland’), dan is zelfs van dat gemoedelijke racisme de lol wel af.

Vervolgens haalt Van Muiswinkel de achterdocht aan die atlete Dafne Schippers trof nadat ze als blanke wereldkampioen werd op de 200 meter. Daar moest doping in het spel zijn. Van Muiswinkel wil er niet aan, maar komt er toch op uit. Geeft de cabaretier hier twee voorbeelden van misplaatste, nationalistische trots? Van een verwrongen zelfbeeld? Dat is niet de conclusie die Van Muiswinkel trekt. Dat mag je er zelf van maken.

Die losse slag maakt van zijn nieuwe programma De Olieworstelaar – opvolger van Schettino! waarvoor hij de Poelifinario kreeg, prijs voor beste cabaretvoorstelling van het jaar – een gemengde ervaring. Over genante ervaringen bij acteren heeft hij meerdere anekdotes: zoenen in een film van Theo van Gogh, een naaktscène in Baantjer, bloot bij schooltoneel. Met veel zelfspot bespreekt hij ook hoezeer zijn lichaam inmiddels is uitgedijd en hoe hij als vijftiger troost vond bij de onverwachte populariteit van de dad bod, waar stootkussens de plek van de sixpack hebben ingenomen.

Dat zijn sterke verhalen, waar genoeg bij valt te lachen. Van Muiswinkel is een persoonlijkheid die zijn gehoor soepel meeneemt. Kritisch is hij tussendoor ook volop: over de feilbaarheid van principes, over gebrekkige zelfkennis. Maar wat De Olieworstelaar node mist, is een samenhangend idee, een dramatische spanningsboog die een extra laag en een diepere gedachte biedt.

Een gevoel van urgentie ontstaat pas als Van Muiswinkel zich onomwonden en met rake grappen uitspreekt over de ruimte die er nog is voor vluchtelingen. Haal ze binnen, leer ze onze taal, betoogt hij. Laat ze in de Flevopolder een eigen stad bouwen. Die wordt vast fraaier dan Emmeloord. Daar zit een mooi uithaal in naar ‘onze grootouders’ die bij de asielzoekende joden pleitten voor opvang in de regio. „Dat is vrij grondig gebeurd.”

Zijn vraag wat er zou gebeuren als Nederlanders ooit zouden moeten vluchten, leidt tot een grootse scène. Bij wijze van antwoord somt hij alleen maar tot in het absurde de inventaris op van zijn huis, van besteklade tot aan de schroeven in zijn gereedschapskist. Het is schitterend gedaan. Hij lijkt zelf verbaasd dat hij dergelijke kolder à la Toon Hermans aandurft en hij rondt het knullig af, maar die ellenlange lijst werkt om wat het is. Een blik op buitensporige rijkdom. Dat is cabaret waar je lang over napraat.