Na veel praten, werd dit de tekst

De tekst van het akkoord van Parijs bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een reeks besluiten die het mogelijk maken om het akkoord uit te voeren. Het akkoord zelf is in feite het laatste besluit.

In de besluitenlijst zijn de nationale klimaatplannen opgenomen. Ook de financiering van het klimaatfonds voor arme landen heeft hier een plek gekregen. Beide waren voor de Amerikaanse president Barack Obama een voorwaarde om tot een akkoord te komen. Het akkoord is juridisch bindend. De kans dat een akkoord door het Amerikaanse Congres wordt aangenomen als er reductiepercentages en bedragen voor klimaathulp in zouden zijn genoemd is vrijwel nihil. Obama voert zijn klimaatbeleid tot nu toe uit zonder wetgeving via het Congres.

De ontwikkelingslanden hebben vooral moeten slikken dat de geldbedragen uit akkoord zijn geschrapt. Maar de VS kregen daarvoor wel steun van de Europese Unie. De rijke landen willen niet juridisch vastleggen dat ze voor onbepaalde tijd ieder jaar minimaal 100 miljard dollar moeten neertellen, een bedrag dat volgens het besluit in de loop van de tijd groter moet worden.Hieronder volgen door NRC uit het Engels (vrij) vertaalde delen van de tekst, met daaropvolgend steeds de diplomatieke, politieke en wetenschappelijke belangen die er achter liggen.

Besluiten

De partijen constateren met grote zorg dat alle nationale bijdragen onvoldoende zijn voor het voorkomen van een gemiddelde temperatuurstijging van 2 °C ten opzichte van het pre-industriële tijdperk. Die plannen leiden tot 2030 tot een uitstoot van 55 gigaton aan broeikasgassen, terwijl dat niet meer dan ongeveer 40 gigaton zou moeten zijn, en nog veel minder om onder de 1.5 °C te blijven.

Dit is de enige plek in het akkoord waar concrete emissiecijfers worden genoemd. Die laten inderdaad zien dat er reden is tot grote zorg en leggen daarmee uit waarom een ambitieus akkoord nodig is.

De partijen besluit tot een dialoog over een mogelijke herziening van de nationale plannen in 2018.

Ze nodigen het IPCC, het VN-panel voor klimaatwetenschap, uit om in 2018 in een speciaal rapport de gevolgen van klimaatverandering bij een temperatuurstijging van 1,5 °C boven pre-industrieel niveau te beschrijven en de vereiste emissiereductie om dat doel te halen.

Over deze twee besluiten is eindeloos onderhandeld. Landen die zich verzetten tegen een ambitieus akkoord probeerden de herziening van de bestaande plannen, waarvan iedereen weet dat ze onvoldoende zijn, op de lange baan te schuiven. De voorstanders van een krachtig akkoord zijn erin geslaagd om al over drie jaar tot zo’n herziening te komen. Dit kon niet in het akkoord zelf worden opgenomen want dat treedt pas in 2020 in werking.

De partijen erkennen het belang van voldoende en voorspelbare financiële middelen.

Het gaat hier om het woord ‘voorspelbaar’. Dat moet de zorgen wegnemen van arme landen die vrezen dat de rijke landen hun financiële hulp proberen af te schuiven naar het bedrijfsleven. ‘Voorspelbaar’ geld komt volgens ontwikkelingslanden alleen van overheden.

Akkoord van Parijs

Dit akkoord wordt gesloten in de erkenning dat partijen niet alleen de gevolgen ondervinden van klimaatverandering, maar ook van de maatregelen die worden genomen om klimaatverandering te bestrijden.

Dit is belangrijk voor de olielanden en vooral voor Saoedi-Arabië, al jaren een van de weerbarstigste onderhandelaars. Zij zien de bui al hangen als de wereld een einde maakt aan het gebruik van fossiele brandstoffen. Zij vragen steun voor diversificatie van hun economie. Het akkoord bewijst lippendienst aan die eis.

De partijen zien het belang in van het veiligstellen van de integriteit van ecosystemen, waaronder oceanen, en de bescherming van biodiversiteit, in sommige culturen beschouwd als Moeder Aarde, en het belang voor sommigen van het concept van ‘klimaat-rechtvaardigheid’ bij de aanpak van klimaatverandering.

De term ‘Moeder Aarde’ wordt vermeld op verzoek van Bolivia (met veel Inheemsen) en andere Latijns-Amerikaanse landen. Milieugroepen hameren op de noodzaak om oog te hebben voor ‘rechtvaardigheid’ bij klimaatbeleid. Zij wijzen op arme boeren die hun land kwijtraken, bijvoorbeeld voor bosprojecten. Het blijft bij een constatering waaraan verder geen consequenties worden verbonden.

Partijen stellen zich ten doel om de gemiddelde stijging van de temperatuur een flink eind onder de 2 °C ten opzichte van de pre-industriële tijd te houden, en zullen streven naar maximaal 1.5 °C, wetend dat daarmee de risico’s en de gevolgen van klimaatverandering fors verminderen.

Ook al is het vaag geformuleerd, volgens de meeste wetenschappers betekent deze doelstelling niets anders dan netto terug naar nul emissies. Bert Metz van de European Climate Foundation wijst erop dat het jammer is dat er geen verwijzingen zijn naar kooldioxide. De UNEP, de milieuorganisatie van de VN, heeft berekend dat die uitstoot tussen 2060 en 2075 naar nul moet voor het halen van de twee graden en al rond 2050 voor anderhalve graad. Daarmee zou volgens Metz de boodschap dat er een einde moet komen aan het gebruik van fossiele brandstoffen veel duidelijker zijn geweest.

Om het langetermijndoel te halen, stellen de partijen zich ten doel om de wereldwijde piek in de uitstoot van broeikasgassen zo snel mogelijk te bereiken, wetend dat die piek voor ontwikkelingslanden later zal komen, en daarna te zorgen voor een volgens de wetenschap vereiste reductie van de uitstoot. Uiteindelijk moet dat in de tweede helft van de eeuw leiden tot een evenwicht tussen de uitstoot van broeikasgassen en opname van die gassen door bossen of op andere manieren, in de context van duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding.

Een van de grootste strijdpunten van de afgelopen twee weken. Er is een heel ingewikkelde formulering gekozen. Alternatieven als ‘decarbonisatie’ en ‘koolstofneutraliteit’ stuitten op verzet van de olielanden, omdat het te openlijk verwees naar het einde van de uitstoot van kooldioxide. Ook India en China waren bang dat ze daarmee te snel een einde zouden moeten maken aan het gebruik van steenkool.

Het door onder andere Nederland voorgestelde ‘klimaatneutraliteit’ opende volgens sommige landen de weg naar ‘geo-engineering, dat wil zeggen via grootscheepse chemische reacties (zoals zwaveldioxide in de stratosfeer pompen) kooldioxide te neutraliseren. Daar bestaat veel verzet tegen omdat de gevolgen niet te overzien zijn.

De geïndustrialiseerde landen zullen de leiding nemen, met economiebrede absolute emissiereductiedoelstellingen. Ontwikkelingslanden zouden door moeten gaan met het uitbreiden van hun mitigatiepogingen en worden aangemoedigd om op termijn over te gaan tot economiebrede doelstellingen voor emissiereductie of een reductie die past bij hun nationale omstandigheden.

Dit is een van de vele plekken waarin het verschil tussen shall (zullen) en should (zouden moeten) in het akkoord wordt gebruikt. Zullen verwijst in het VN-jargon naar een verplichting, zouden moeten een meer vrijblijvende aansporing.

Partijen die gezamenlijk optreden binnen het kader van een organisatie voor regionale economische integratie, die zelf partij is in dit akkoord, zijn individueel verantwoordelijk voor de emissieniveaus waarover in dit akkoord afspraken zijn gemaakt.

Dit artikel is speciaal geschreven voor de Europese Unie. Het UNFCCC, het klimaatbureau van de VN, bestaat uit 195 landen (waaronder ook alle EU-landen) en de Europese Unie. De lidstaten zijn individueel verantwoordelijk, ook al hebben zij geen eigen emissiedoelstelling. Dit zou implicaties kunnen hebben voor een eventuele gerechtelijke uitspraak over het Nederlandse klimaatbeleid. In feite zegt deze paragraaf dat de lidstaten zich niet achter de EU kunnen verschuilen. Ook staat in het akkoord dat de EU namens de 28 landen stemt, tenzij één van hen dat niet wil.

De ontwikkelde landen zullen financiële middelen beschikbaar stellen om ontwikkelingslanden te helpen bij zowel reductie van broeikasgassen als aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering.

Andere partijen worden aangemoedigd hetzelfde op vrijwillige basis te doen.

Een van de vele plekken waar opkomende economieën, met name India en China, hun zin hebben gekregen. Terwijl de rijke landen grote verplichtingen op zich nemen, worden opkomende landen slechts aangemoedigd om hetzelfde te doen, en dan ook nog op vrijwillige basis. Vrijblijvender kan haast niet.

In 2023 en daarna elke vijf jaar wordt beoordeeld hoe het staat met de reductie van broeikasgassen en of een aanscherping nodig is.

Tegenstanders van een stevig akkoord, waaronder olielanden, maar ook opkomende economieën, hebben geprobeerd deze herziening niet eerder dan in 2030 voor het eerst te doen. Ze wilden ook niet vastleggen dat het vijfjaarlijks zou moeten worden beoordeeld. De ‘coalitie voor een grote ambitie’ van de EU en kwetsbare ontwikkelingslanden, inmiddels aangevuld met de VS en Brazilië, hebben deels hun zin gekregen. Een beoordeling in 2023 betekent dat de nieuwe plannen niet voor 2025 ingaan en dat vinden veel wetenschappers veel te laat. Of de herziening in 2018 (zie hierboven) streng genoeg zal worden, is onduidelijk.

Dit akkoord treedt in werking als ten minste 55 partijen, die samen verantwoordelijk zijn voor ongeveer 55 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen het hebben geratificeerd.

Afgesproken is dat er op 22 april volgend jaar een speciale ceremonie komt voor ondertekening van het akkoord. Daarna kan het ratificatieproces beginnen.

Kijk voor meer verhalen over de klimaattop op klimaattop.nrc.nl