Hoboïst Ogrintchouk speelt als een slangenbezweerder

Dé muzikale teleurstelling van december: dirigent Andris Nelsons heeft een schouderblessure en leidt deze maand op doktersadvies niet de geplande concerten met het Koninklijk Concertgebouworkest; niet de uitvoeringen van Wagners Lohengrin eind deze week (die worden overgenomen door Mark Elder) en niet het programma met Ravel en Britten vrijdagavond.

De daarin als vervanger aangetrokken dirigent Paavo Järvi, in 2004 en 2007 eerder bij het KCO te gast en daarna niet meer, toonde zich in het Vioolconcert van Britten een vakman die net niet de extra kleuring, nuancering en spanning bracht die het verschil had kunnen maken. Violiste Baiba Skride heeft een mooie, intieme toon die fraai mengde met de kleuren in het orkest. Ze durfde haar lijnen ook imposant ragfijn te spinnen, maar overall miste ze – in intonatie en straalkracht vooral – net de grandeur van recente vioolsolisten bij het KCO als Zimmermann, Kavakos of Jansen.

De Suite nr. 2 uit Daphnis et Chloé van Ravel speelde het orkest daarna op zijn ruggenmerg. Het aantal uitvoeringen sinds 1913 is niet te tellen en ook vorig jaar nog klonk het werk op tournee vijf keer. Het ís ook een ideaal showstuk voor het orkest in grote bezetting (9 slagwerkers incluis), dat er zijn souplesse, kracht én uitstekende solospelers opnieuw meeslepend in etaleerde. Fraai was ook Ravels Le tombeau de Couperin, waarin hoboïst Alexei Ogrintchouk als een slangenbezweerder onweerstaanbaar alle aandacht naar zich toe zoog.