Geen gewone joodse jongens

Wie weet nog wie Max Heymans en Benno Premsela waren, behalve twee straatnamen in Rotterdam? De één flamboyant modeontwerper, de ander designer en boegbeeld van de goede smaak. Nu samen in één expositie.

Of zijn joods-zijn z’n leven had beïnvloed, vroeg een journalist van het Nieuw Israëlitisch Weekblad in 1987 aan modeontwerper Max Heymans. Het antwoord liet weinig te raden over: „Ach engel, wat denk je. Ik maak Chanel-pakken onder rabbinaal toezicht.”

Ook vormgever en binnenhuisarchitect Benno Premsela werd niet graag als ‘joodse kunstenaar’ aangemerkt. Dat zette hem maar ‘apart’, vond hij.

Het heeft het Joods Historisch Museum in Amsterdam er niet van weerhouden een dubbeltentoonstelling over deze ontwerpers samen te stellen met een sterk biografische opzet: Benno Premsela en Max Heymans, mannen met lef en stijl.

Een voortreffelijk idee, want welke veertigminner weet van de rol die beiden op hun vak gebied en als homo-emancipator speelden? Zo gaat dat met succesvolle wegbereiders: ze verworden tot een anoniem straatnaambord (in Rotterdam-Nesselande, in het geval van Heymans en Premsela). Zeker als hun ontwerpen van zo voorbijgaande aard zijn.

De hoeden en mantelpakjes van Heymans zijn opgeborgen in het depot van het modemuseum. Van Premsela’s spraakmakende Bijenkorf-etalages resteren alleen de foto’s nog. En van zijn ontwerpen is alleen de Lotek-lamp, de kubusvormige constructie van metaaldraad en papier, een klassieker geworden.

Heymans en Premsela samen, het lijkt een curieuze combinatie. Max Heymans (1918-1997) was de eerste Nederlandse stercouturier. Zijn flamboyante persoonlijkheid was onlosmakelijk verbonden met zijn hoeden en mantelpakjes. Met dank vooral aan de societypagina’s van De Telegraaf. Eest was er veel aandacht voor Heymans coming-out als travestiet. Later werd het ook nieuws als de ‘nestor van de couture’ zijn voet blesseerde of zijn hond kwijt was. En aan het eind van zijn leven, toen Heymans een door deurwaarders achtervolgde bohémien was geworden, werd ook daar veelvuldig verslag van gedaan.

Een heel contrast met Benno Premsela (1920-1997). Die leidde een succesvol, honderd werknemers tellend designbureau, dat tal van ministeries en beursgenoteerde ondernemingen aan een huisstijl hielp. Bovendien genoot Premsela als kunstverzamelaar en bestuurder (37 verschillende functies begin jaren negentig) in intellectueel-linkse kringen een bijna onaantastbaar gezag als ‘boegbeeld van de goede smaak’.

Toch hebben beide mannen meer gemeen dan het lijkt, ontdekte conservator Mirjam Knotter. Bij het onderzoek voor een expositie over Premsela stuitte de museummedewerker zo vaak op Heymans en op zoveel raakvlakken tussen beide mannen, dat ze besloot tot een dubbeltentoonstelling.

De expositie vertelt het verhaal van twee joodse jongens die moeten onderduiken, een groot deel van hun familie verliezen en na de oorlog met veel veerkracht aan hun carrières beginnen – Heymans als hoedenontwerper, Premsela als maker van leren tassen. Die naoorlogse productiviteit werd door Premsela mooi verwoord: hij voelde zich als een vogel zo vrij. „Het feit dat ik nog leef moet een zin hebben, dat moet je waar maken.”

Als homo-emancipator stonden beide ontwerpers begin jaren zestig vrijwel tegelijk in de frontlinie. Premsela door als COC-bestuurder op radio en televisie uit te leggen dat het probleem van homoseksualiteit niet het probleem van homoseksuelen is, maar van de samenleving. Heymans publiceerde in 1966 zijn autobiografie KNAL. In dat succesvolle ‘rooie-oortjesboek’ vertelde hij met veel zelfspot over ‘zo zijn’ en over zijn voorliefde voor travestie, ‘een leuke en denderende bezigheid’.

De waardering voor hun bezigheden en hun persoon nam aan het eind van hun leven een vergelijkbare vlucht, stelde Knotters vast. Beiden kregen de status van levend monument. En de hoogste sokkel was voor Premsela, die door zijn biograaf Bert Boelaars in 2008 werd geafficheerd als de ‘smaakmaker van de modernisering in onze naoorlogse moerasdelta’. Knotter: „Ik zie geen nieuwe Benno Premsela, iemand bij wie zoveel terechtkomt. Dat kan nu ook niet meer.”

Drie keer per week grote diners thuis

Hoe dat toen wel mogelijk was? De conservator wijst naar de stapel notitieboekjes waarin Premsela’s partner Friso Broeksma de namen noteerde van de gasten bij de grote diners die zij gemiddeld drie keer week bij hun thuis organiseerden. Knotter: „Duizenden mensen uit diverse disciplines heeft Premsela zo met elkaar verbonden.”

Een paar dingen vallen op in de tentoonstelling. Heymans heeft nooit een geheim gemaakt van zijn voorliefde voor Chanel. Op diverse ontwerpschetsen die hij voor zijn modistes maakte (zelf kon hij nog geen draad door het oog van een naald steken), is te zien hoe groot zijn liefde voor het Franse modemerk was. Sommige ‘schetsen’ zijn knipsels uit modebladen waar ‘Madame Chanel’, zoals Heymans wel werd genoemd, alleen een stofstaaltje op niette.

Modehistoricus Maaike Feitsma legt in de tentoonstellingscatalogus uit, dat je die vorm van ‘inspiratie’ niet met huidige normen mag veroordelen. Van Nederlandse couturiers werd tot ver in de jaren vijftig geen vernieuwend eigen modebeeld verwacht, maar slechts dat ze de Parijse couture aanpasten aan de Nederlandse smaak.

Frapperend is de kwaliteit van Premsela’s verdwenen ontwerpen uit de jaren vijftig. In de catalogus wordt essayist Kees Fens geciteerd, die na de dood van Premsela beschreef wat voor indruk de Bijenkorf-etalages direct na de oorlog op hem hadden gemaakt. De functionele en onversierde stijl van die etalages zuiverden hem van zijn slechte smaak. Fens: „Ik stond ervoor, ik keek ernaar en wist: alles aan mij was verkeerd.”

Van net zo’n tijdloze schoonheid zijn de productcatalogi voor meubelmerk Pastoe uit de jaren vijftig en de stof- en interieurontwerpen. Soberheid die onlangs raak is gekarakteriseerd door fotograaf Erwin Olaf, die een aantal hommages aan Premsela maakte die in de tentoonstelling zijn opgenomen.

Wat ook stof tot nadenken geeft, is Heymans’ wens om joods begraven te worden. Terwijl hij op zijn doodsbed lag, liet hij zich alsnog inschrijven als lid van de Joodse Gemeente Amsterdam. Bij de teraardebestelling hield de rabbijn een grafrede waarbij hij inging op God als eerste modeontwerper.