Column

Dogmatisch denken helpt de toneelsector echt niet verder

Wat is het grootste probleem van het toneel? Is het het feit dat steeds meer gezelschappen, ook de gesubsidieerde, publiek naar het theater proberen te trekken middels bewerkingen van bekende boektitels, of dat toneel een zelfvoldane, in zichzelf gekeerde bedoening kan zijn waar in een volstrekt ontoegankelijk systeem van regeltjes en traditie enkel continu de door ingewijden gekoesterde canon wordt herkauwd?

Het eerste werd vorige week als probleem bestempeld door onder andere dramaturg/regisseur Ronald Klamer en schrijver Peer Wittenbols in de Volkskrant. Dat artikel zoomt in op de golf van boek-, film- en tv-bewerkingen die (alweer een paar jaar) de theaters overspoelt.

Het is grappig hoe de woordvoerders van deze opvatting zich hopeloos vastdraaien in paradoxale drogredenen. Zo constateert Klamer met spijt dat „toneel altijd schatplichtig was aan de literatuur” en dat „die band aan het verdwijnen is”. Als statement tegen boekbewerkingen op toneel is dat ironisch. Klamer bedoelt toneelliteratuur natuurlijk, maar het onderscheid is hier nogal mal.

Verderop vraagt Wittenbols vertwijfeld: waar zie je Ibsen nog, of Shakespeare? Dat die vraag klinkklare onzin is – ik zag het afgelopen seizoen drie Shakespeares en drie Ibsens – is nog tot daaraan toe. Maar drie regels verder stelt hij, ook weer als argument tegen bewerkingen: „Oorspronkelijkheid is de basis van elke kunstvorm. Het leidt tot meer vernieuwing en experiment.” Dat laat zich dan weer moeilijk rijmen met het nostalgische verlangen naar Shakespeare en Ibsen. Dus een Hamlet eindeloos herkauwen mag, maar een bekend boek bewerken, nee, dat is niet ‘oorspronkelijk’.

Deze somberaars creëren een vals onderscheid tussen toneel waar tekst en taal centraal staan, een volgens hen verdwijnend verschijnsel, en theater dat draait om spektakel, ervaring en herkenning. Maar het is natuurlijk niet of-of. De bekoring van Shakespeare is taal, maar óók herkenning. Theu Boermans maakte bij het Nationale Toneel een Midzomernachtdroom waar humor en spektakel worden ingezet om juist die taal te laten schitteren. En die voorstelling had ook nog iets te zeggen over het nu. (25 t/m 30 dec voor het laatst te zien in Den Haag: ga!)

Klamer en Wittenbols bevestigen met hun klaagzang vooral het vooroordeel van de theatersector als elitair kringetje waarin makers zich vooral wensen te verhouden tot hun grootse historie. Dát dogmatische denken, en niet de boekbewerkingenhausse, is het grootste probleem van het toneel. Kwaliteit en relevantie, daar zou de discussie over moeten gaan. En ja: ook oorspronkelijkheid is van belang. Het goede nieuws: die zaken kunnen worden aangetroffen bij toneelklassiekers, boekbewerkingen én nieuwe toneelteksten.