‘De vrije markt, die bestaat niet’

Veel politici geloven nog altijd in de vrije markt. Maar volgens Koen Haegens zijn markten eigenlijk nooit écht vrij.

De markt op het Djemma El Fna-plein in Marrakech kent regels en toezicht van de overheid. Foto Getty Images

Voor de val van de Muur in 1989, toen er nog een Oostblok van communistische landen was, bestond het begrip ‘reëel bestaand socialisme’. In theorie mocht communisme of socialisme dan een hemel op aarde zijn, in de weerbarstige praktijk van reëel bestaande socialistische landen als de Sovjet-Unie en de DDR was het eerder een hel, zo was het achterliggende idee van dit begrip.

In De grootste show op aarde. De mythe van de markteconomie introduceert Koen Haegens, economie-redacteur van De Groene Amsterdammer, het ‘reëel existerende kapitalisme.’ Het kapitalisme, dat na de val de Muur wereldwijd triomfeerde, lijkt op het communisme. In theorie leidt de markteconomie, mits die vrij is en niet wordt verstoord door bijvoorbeeld staatsingrijpen, tot universeel heil. Om welke dienst of product het ook gaat, in een vrije markt raken vraag en aanbod uiteindelijk tegen de laagst mogelijke prijs op elkaar afgestemd. Iedereen blij en gelukkig.

Haegens, die in 2012 Neem de tijd over de ‘politieke wortels van ons tijdgebrek’ publiceerde, begon aan De grootste show op aarde uit verbazing. Geboren in 1980, het jaar waarin de ultraliberaal Ronald Reagan tot president van de Verenigde Staten werd verkozen, kreeg Haegens de heilsleer van de markteconomie met de paplepel ingegoten, schrijft hij in De grootste show op aarde, waarin algemene en persoonlijke beschouwingen en observaties elkaar afwisselen. Maar de financiële crisis in 2008, toen de gedereguleerde financiële markten ontspoorden en zorgden voor groot economisch onheil, bracht het geloof in de vrije markt aan het wankelen. In verschillende Europese landen werden banken en financiële instellingen zelfs op communistische wijze genationaliseerd.

De testosteronjongens in Londen

Maar twee jaar later, toen in Europa de eurocrisis begon, dicteerden de financiële instellingen alweer wat er moest gebeuren met schuldenlanden als Portugal en Griekenland. De Duitse bondskanselier Angela Merkel vond daar niets vreemds aan en sprak op een persconferentie zelfs van ‘marktconforme democratie’. Er bestaat geen alternatief voor de markteconomie, doceerde ze. De politiek moet doen wat de markten dicteren: ‘het is de kunst om de medezeggenschap van het parlement zodanig vorm te geven, [...] dat aan de markten de juiste signalen worden afgegeven.’

Maar wie of wat zijn die markten dan, vraagt Haegens zich af, en wat willen ze? Om antwoord te geven op deze vraag, begint hij aan een knappe zoektocht naar de vrije markt. Die voert hem eerst naar de theorieën van (neo)klassieke economen als Adam Smith, David Ricardo en Friedrich von Hayek over het heilzame werk van de onzichtbare hand. Vervolgens richt hij zich op de praktijk in het oude Mesopotamië waar volgens de verhalen al een soort markteconomie zou hebben bestaan. Ook reist hij, net als Joris Luyendijk in zijn Dit kan niet waar zijn, naar de heart of darkness, de Londense City, het centrum van de financiële wereld, om er te spreken met testosteronjongens die handelen in onbegrijpelijke derivaten.

De overheid is altijd betrokken

Hij verdiept zich ook in de markt van paprika’s. Maar zelfs de prijs van dit simpele product waarvoor de wetten van de neoklassieke theorieën zeker zouden moeten gelden, wordt niet alleen bepaald door vraag en aanbod. Nergens vindt Haegens de vrije markt waarvan de neoklassieke economen alle heil verwachtten. Markten zijn nooit vrij, zo blijkt, meestal is de overheid er van begin af aan bij betrokken met bijvoorbeeld regels en voorschriften en altijd zijn er ‘verstoringen’, zoals monopolies en inflexibele prijzen en lonen.

De vrije markt is fictie en de onzichtbare hand bestaat niet. In veel opzichten vindt Haegens dit een bevrijdend inzicht. Want als de vrije markt net als het communisme een utopie is, dan is ‘marktconforme democratie’ onzin en hoeven politici ook niet te gehoorzamen aan de vermeende dictaten van de markt.

En in dat geval is er wél een alternatief voor de markteconomie, schrijft hij aan het slot van zijn uiteindelijk optimistische betoog. Er is een andere economie mogelijk: ‘„Onder het asfalt ligt het strand”, luidde een bekende leus in de rebelse dagen van 1968. Ik zou het anders willen formuleren. Onder een dun laagje kapitalisme ligt een socialere, menselijke economie verstopt. Smachtend om door ons naar het oppervlak te worden gehaald.’