De terrorist was altijd al een held

Achilles, een van de helden uit Homerus’ Ilias, is een terrorist. Hij verschilt in weinig van Abdelhamid Abaaoud, de inmiddels gedode leider van de recente aanslagen in Parijs.

De beelden waarop de 28-jarige terrorist Abdelhamid Abaaoud in Syrië bezig was de lijken van de ‘ongelovige honden’ aan zijn jeep voort te slepen, hebben vriend en vijand verbijsterd. Hoe kan het ook anders: respect voor de dood en de doden lijkt een universele morele wet. Het schenden van die norm geldt sinds mensenheugenis als onmenselijk. Abdelhamids beeldtaal sprak boekdelen: wie hij voor honden hield, gaf hij prijs aan de honden. Hij liet zien dat zijn minachting de ultieme grens overschreed: die van de dood.

De uitdrukking ‘sinds mensenheugenis’ mag in dit verband letterlijk worden genomen. De tekst die aan het begin van de westerse keten van herinnering staat is de Ilias van Homerus (ca. 750 v.Chr.). Opmerkelijk genoeg stelt dit gedicht hetzelfde probleem in haar eerste verzen centraal: ‘Bezing mij de wrok van Peleus’ zoon Achilles, godin, in al zijn verschrikking, die de Grieken onbeschrijflijk leed toebracht en vele dappere zielen van helden aan de Onderwereld toewierp – en hun lichaam ten prooi deed vallen aan de honden …’

Hector werd al zo rondgesleept

Openingswoorden zijn programmatisch. Kennelijk is juist dít gegeven het grote thema van het invloedrijkste gedicht uit onze cultuurgeschiedenis. Inderdaad, wanneer Achilles aan het eind van het epos zijn aartsvijand Hector heeft gedood, sleept hij diens lichaam mee aan zijn zegekar: ‘een stofwolk steeg op van hem die werd voortgesleept, en rond hem waaierden zijn donkere haren; zijn hoofd, vroeger zo mooi, lag diep in het stof. Toen gaf Zeus het aan zijn vijanden prijs, om in zijn eigen vaderland geschonden te worden.’

Achilles blijft halsstarrig weigeren Hectors lichaam met rust te laten, en sleept het dagelijks aan zijn kar rond het graf van zijn gesneuvelde vriend Patroclus. Daar lijkt op het eerste gezicht de parallel op te houden: Achilles was immers geen voorvechter van een ideologische, laat staan een religieuze code; hij nam wraak voor een persoonlijk affront – Hector had Achilles’ hartsvriend Patroclus in de strijd gedood. Toch laat Homerus er geen twijfel over bestaan dat Achilles en Hector twee verschillende manieren van leven vertegenwoordigen. Achilles, zonder kip of kraai, komt van verre om verderf te zaaien in Troje, slechts op zoek naar roem en eer; Hector, vader, zoon en echtgenoot, strijdt voor have en goed. De tegenstelling tussen de twee is wel vergeleken met die tussen natuur en cultuur: de verzengende kracht van de eerste, de bescherming en kwetsbaarheid van de tweede.

Inderdaad gaat Homerus’ gedicht over de verzengende woede van de (on)natuurlijke Achilles tegen de hooggeavanceerde, rijke, wufte cultuur van het Troje dat door Hector beschermd werd. En het toont de grootste held van de Grieken, die we zo graag als onze voorvaderen zien, in zijn rauwe wraakzucht, als lijkenschenner. Maar hij laat zich ook kennen als iemand die zich afwendt van de sociale en politieke cultuur: die van Troje, en zelfs die van zijn eigen strijdmakkers, de Grieken. De eerste aanleiding voor Achilles’ woede, en indirect voor Patroclus’ dood is het onrecht dat Achilles is aangedaan door de opperbevelhebber van de Grieken zelf, Agamemnon, formeel Achilles’ baas, maar in alle opzichten, moreel en fysiek, zijn mindere.

In het eerste boek beledigt Agamemnon Achilles en tast diens ‘eer’ aan door hem na een conflict zijn bezit te ontnemen. Achilles weigert verder mee te vechten, maar omdat juist hij de belangrijkste militaire steunpilaar is, lijden de Grieken grote verliezen. En nog meer dan voor de Grieken of tegen de Trojanen, vecht hij met de hele beestenbende die de wereld heet. De Ilias toont het ‘grote nee’ van de grote Achilles tegen zijn wereld, omdat die wereld hem kwaad doet, leed berokkent en onrechtvaardig is. En dat maakt Achilles tot terrorist.

Het is schokkend dat we aan het ‘eind van onze geschiedenis’ zo’n wrange parallel met het begin kunnen trekken; schokkender nog, dat één van de oerteksten van onze cultuur een terrorist als held heeft. Want Achilles – zelf geen deel van de gemeenschap – ziedt en woedt tegen alles wat leeft, maait als een machine alles neer, tot hij Hector vindt en doodt – en dan nog is hij niet klaar.

Nee tegen onze manier van leven

Als we het gedachtenexperiment – vergelijk de lijkenschenner Abdelhamid met de lijkenschenner Achilles – vervolgen, krijgt een aantal dingen reliëf, vooral op grond van overeenkomsten. Het feit dat Abdelhamid, zoals ook Bin Laden, welstand en aanvankelijk maatschappelijk succes had, suggereert het werkelijk beangstigende aan IS: niet de vermeende ideologie of religie, maar het ‘grote nee’ dat in hun keuzes doorklinkt, de radicale weigering deel te nemen aan gedeelde sociale en morele codes.

Beiden hadden probleemloos kunnen kiezen voor ‘onze’ manier van leven. Maar daarbij moeten we dan wel beseffen wat niet iedereen kennelijk bereid is te doen: dat in ‘onze’ manier van leven de cultuur en religie van de moslims net zo thuishoren als die van de joden of christenen. Juist dat suggereert de parallel met Homerus, wiens Trojanen even beschaafd, religieus en menselijk zijn als zijn Grieken. Anderzijds benadrukt Homerus vanaf het begin dat zijn Achilles vriend én vijand schaadt. Zo lijkt ook het ‘nee’ van IS, net als dat van Achilles, in feite universeel, en lijkt hun ‘staat’ een secessio, een uittreding, een eiland van geronnen bloed binnen de mainstream van de globale cultuur.

Juist het bewustzijn van die weigering maakt ze tot voorbeeld voor velen die geen maatschappelijke kansen hebben gehad. De aantrekkingskracht van IS is die van een toevluchtsoord voor primitieve emotie en ongebreidelde agressie tegen een onrechtvaardige samenleving. Daarin zit geen levensbloed maar koelvloeistof en zwakstroom, geen vrijheid maar fnuikende hiërarchie en machtsmisbruik, geen licht maar de diepe duisternis van de neonverlichte supermarkten en de ingeblikte emotie. Abelhamid zegt in een video waarin hij commentaar geeft op de slachting dat alleen de jihad ‘roem en eer’ brengt. Exact dezelfde motieven die Homerus in de Ilias Achilles toedicht, en die van hem een paradigmatische held hebben gemaakt. Daarom is het inderdaad misleidend de strijd tegen IS te karakteriseren als een ‘oorlog’: als het iets is, is het een burgeroorlog – tussen mensen die van binnen de samenleving die samenleving de rug toe keren en die gaan bestoken.

Het verschil: platheid

Ook de verschillen tussen Abdelhamid en Achilles zijn instructief. Want de Ilias eindigt noch met de onverzadigbare haat van Achilles, noch met diens helden- of martelarendood. Het is juist de vervulling van de heroïsche code – winnen of sterven, maar met eer – die Homerus hem ontzegt. In plaats daarvan sluit het gedicht af met Achilles’ schoorvoetende terugkeer naar de beschaving. Achilles geeft Hectors lijk vrij aan diens stokoude vader Priamus die er, breekbaar als een riet, met gevaar voor eigen leven, om smeekt. Na een gesprek, waarin ze niet veel verder komen dan wederzijds in te zien hoe verschrikkelijk ongelukkig ze zijn, verordonneert Achilles dat er gegeten moet worden. En nadat ze hun honger gestild en hun dorst gelest hebben, bewondert Dardanus’ zoon Priamus Achilles, zo groot en indrukwekkend als hij was – want hij leek op de goden; maar hij, Achilles, bewonderde juist Priamus, terwijl hij keek naar naar zijn nobele gezicht en luisterde naar zijn woorden.

De psychologische diepgang van die scène, het besef van gedeeld leed en van een uitzichtloze menselijke conditie, die alleen door het delen ervan troostrijk is, behoort tot het grootste wat de wereldliteratuur heeft voortgebracht. Dat besef steekt schril af tegen de zelfgenoegzame, platte tevredenheid van Abdelhamid achter het stuur van zijn zegekar.