‘Bij het stoffer-en-blikwerk ben ik op mijn best’

(64) krijgt als verpleegkundige op de spoedeisende hulp alles naar haar hoofd. Maar liever dat dan doodgaan op een kantoorstoel. ‘Ik heb weleens gedacht: als deze man zonder verdoving geopereerd wordt, zou ik het niet erg vinden.’

‘Vuile kankerhoer! Wie denk je wel niet dat je bent?’ Verpleegkundige Berthie Schaad krijgt te pas en te onpas verwensingen naar haar hoofd. Als ze bloed wil afnemen. Als ze een wond wil verzorgen. Als ze een hartfilmpje wil maken. Als ze een patiënt wegens tijdgebrek niet naar buiten kan rijden voor een rokertje. „Soms denk ik: hoe lang accepteren we dit nog?”

In de 48 jaar dat zij werkzaam was in de zorg – de laatste vijftien op de spoedeisende hulp van VUmc in Amsterdam – zag ze Nederland verhufteren. Toch doet Schaad (64) haar werk met evenveel plezier als toen zij begon. „Ik blijf het boeiend vinden. Op een kantoorstoel had ik het niet overleefd.”

Schaad groeide op in Den Haag in een gereformeerd gezin met vier kinderen. „Ik was een moeilijk kind, anders dan de anderen.” Tot verdriet van haar ouders maakte ze haar school niet af. „Maar ze hebben mij nooit de deur gewezen. Zelfs niet toen ik ging samenwonen met een rooms-katholieke jongen – een doodzonde in die tijd.”

Het liefst was ze piloot geworden, maar vrouwen zonder vervolgopleiding hadden in de jaren zestig weinig keuzemogelijkheden. „Ik kon juf, secretaresse of verpleegkundige worden. Dat laatste beroep sprak mij het meest aan omdat ik er overal ter wereld mijn geld mee kan verdienen.”

Toen ze in het Amsterdamse Lucas Andreas Ziekenhuis kwam te werken, stond de spoedeisende hulp nog in de kinderschoenen. „Ieder dorp had een garage met ambulance in Nederland. Bij een melding deed de monteur zijn witte jas aan en sprong hij in de auto. Er bestond geen opleiding voor spoedeisende hulp. Protocollen moesten nog worden ontwikkeld.”

Valt er nu iemand van zijn fiets, dan wordt er bijna altijd een hersenscan gemaakt op de spoedeisende hulp. Maar toen? „We controleerden bloeddruk en pols. Met een lampje keken we of de pupillen veranderden. Wie in die beginjaren last had van zijn blinde darm, kreeg standaard een buikoperatie. Nu kunnen we het af met kijkgaatjes en kijkbuizen.”

Wat trekt u aan dit werk?

„Ik geef mensen graag een veilig gevoel. En waar kan je dat beter doen dan op de spoedeisende hulp? In een crisissituatie hebben patiënten een rustpunt nodig. Of ze nou hun been hebben gebroken of betrokken waren bij een schietpartij.” Elke 24 uur komen er tachtig tot honderd mensen binnen op de spoedeisende hulp, zegt Schaad. Zij behandelt er op een werkdag vijf tot vijftien, afhankelijk van de ernst van de klachten.

Stressbestendigheid lijkt me geen overbodige luxe.

„Nee. En juist bij het stoffer-en-blikwerk – zoals we dat noemen – ben ik op mijn best. Ernstige gevallen vind ik het leukst.”

Dat geeft u een kick?

„Kick is niet het juiste woord. Ik bewaar het overzicht als iedereen door elkaar heen gilt. Artsen zijn gewend te delegeren, maar reanimeren niet vaak. Op zo’n moment luisteren ze naar mij in plaats van andersom.”

Het gedrag van patiënten veranderde sterk in de afgelopen decennia. Er wordt niet alleen meer gescholden, zegt Schaad, maar patiënten stellen ook steeds hogere eisen. „Vroeger werden patiënten door hun huisarts doorverwezen naar de spoedeisende hulp. Naarmate huisartsen slechter bereikbaar werden, en medische informatie op internet ontsloten werd, gingen ze steeds meer zelf op onderzoek uit. Soms komen mensen hier met hun eigen diagnose. Ze weten wat medisch mogelijk is en eisen een onderzoek.”

Van welk type patiënten heeft u het meeste last?

„De snelle zakenjongens. Als die pijn in hun linkerpink hebben, verwachten ze dat het binnen tien minuten wordt opgelost. Ze zijn gewend dat alles te koop is, dus waarom zorg niet?”

Is het een generatieprobleem?

„Ja. Soms moeten ouderen úren wachten op een neuroloog, oncoloog, longarts of andere specialist. Na afloop zeg ik dan ‘sorry dat het zo lang geduurd heeft’. ‘Ja, maar jullie hebben het óók druk’, is dan steevast het antwoord. Ze zijn zó dankbaar, dat ontroert mij. Jongeren begrijpen vaak niet dat wij mensen op de spoedeisende hulp niet op basis van binnenkomst behandelen, maar naar gelang de ernst van hun situatie. Ik heb wel eens meegemaakt dat ik tijdens een reanimatie op mijn schouder werd getikt door de vriend van een comazuipster. Of ik even kon komen kijken, want ‘ze is nog niet wakker’.”

Ontsteekt u dan in woede?

„Ik begrijp dat zo’n jongen schrikt als zijn vriendin niet meteen wakker wordt getoverd. Maar als ik drie keer onze werkwijze heb uitgelegd, en hij luistert nóg niet... ja, dan word ik boos.”

Ook aan psychiatrische patiënten heeft Schaad haar handen vol. Het lijkt of het er steeds meer worden. „Gisteren nog: twee borderliners. Een collega van mij kreeg klappen. Psychiatriepatiënten die al lang in het circuit zitten, weten vaak niet beter. Als ze door het lint gaan buiten de openingstijden van een instelling, worden ze naar de spoedeisende hulp doorverwezen.”

Lastig, zegt Schaad, want eigenlijk hebben ze een prikkelarme omgeving nodig. En als er érgens veel prikkels zijn, dan is het wel op de spoedeisende hulp. „Vaak zitten ze uren te wachten op een gesprek met een hulpverlener. Reuze sneu.”

Op de spoedeisende hulp van VUmc werken zo’n vijftig verpleegkundigen. Schaad is de enige zestigplusser zonder aangepast takenpakket. „De werkdruk is enorm. Mijn leeftijdgenoten beperken zich tot regelwerk. De dagen dat collega’s samen koffie drinken, zijn schaars. Niet zelden prop ik halverwege de middag een paar boterhammen naar binnen.”

Schaad solliciteerde bewust bij de spoedeisende hulp van VUmc, omdat het een van de weinige ziekenhuizen in Nederland is met een zogenoemde ‘Level 1’ status: uitgerust om de zwaarst gewonde slachtoffers te behandelen. 24/7 zijn een neurochirurg en een thoraxchirurg present.

Medewerkers van Level 1-ziekenhuizen worden vaak geconfronteerd met geweld. Steek- en schietincidenten, afrekeningen in het criminele circuit – Schaad ziet ze toenemen. En soms, beaamt ze, komt het gevaarlijk dichtbij. „Ik herinner me dat er jaren geleden twee mensen betrokken waren bij een schietpartij. Eén was overleden, één had het overleefd. In de operatiekamer zag een collega plots een onbekende man in OK-tenue rondlopen. Bleek het een handlanger te zijn die wilde kijken wie het overleefd had!”

Sindsdien is de beveiliging van de spoedeisende hulp opgeschroefd, zegt Schaad. Er komt geregeld politie op de afdeling. En bij ernstige geweldsdelicten worden verdachten, ter bescherming van medewerkers, geblinddoekt binnengebracht. „Zoals de moordenaar van Theo van Gogh”, zegt zij. „Ik zie hem nog uit de politiewagen strompelen, ingeklemd tussen twee hyperventilerende agenten.”

Als een veroordeelde op de spoedeisende hulp belandt, mogen Schaad en haar collega’s niet weten wat-ie op z’n kerfstok heeft. „Het komt onze objectiviteit niet ten goede.” Maar de daad van de moordenaar van Van Gogh ging al snel als een lopend vuurtje over de afdeling. „Ik hoorde dingen waarvan ik wist dat ze binnen no time wereldnieuws zouden zijn. Dat is raar, hoor. Ik werd er misselijk van.”

Lukte het u objectief te blijven?

Ze zucht. „Er ging veel door mij heen. Ik weet nog dat ik dacht: als hij zonder verdoving geopereerd wordt, zou ik het niet erg vinden. Erg hè? Ik schrok ervan.”

Moest u bij de beelden van de aanslagen in Parijs terugdenken aan wat u toen heeft meegemaakt?

„Natuurlijk had ik te doen met de slachtoffers. Maar het werk van de hulpverleners in Parijs greep mij het meest aan. Jonge soldaten die stukken mens moesten...dat krijgen ze van hun leven niet meer van hun netvlies.”

Wat is u van al die jaren traumawerk het meest bijgebleven?

„De vader en zoon die waren aangereden door een vrachtwagen. Het kind was ter plekke overleden, de man werd zwaargewond bij ons binnengebracht. Terwijl hij op de scan lag ben ik door zijn zakken gegaan. Ik vond een afscheidsbriefje.”

De man bleek depressief te zijn. Zijn vrouw had hem die dag aangeraden iets leuks met hun kind te gaan doen. „Toen ik de moeder van de man op de afdeling zag verschijnen, trok ik mij terug. Na de zorg voor hem, kon ik de zorg voor haar er niet meer bij hebben.”

En het afscheidsbriefje? „Dat heb ik bij zijn papieren status gedaan. Een volwassen man heeft recht op privacy.” Ze vergelijkt het met de vele bolletjesslikkers die zich op de spoedeisende hulp melden. „Als die zonder politie zijn binnengekomen, krijgen ze bij ontslag hun bolletjes weer mee.”