Woest en ledig– vers van de tekentafel

Ruben Smit (links) enChris De Stoop in de ontpolderde Noordwaard: „Ik zie een Atlantis.” foto Rien Zilvold

Boomtoppen steken boven het water uit. Hier lag een boomgaard, naast een boerderij. De dijken zijn doorgestoken, over oud cultuurland mag de rivier vrij stromen.

Dit is de Biesbosch, de binnenlandse rivierdelta op de grens van Zuid-Holland en Noord-Brabant. Een doolhof van kreken en oude stroomgaten, waar sinds de Deltawerken nauwelijks getij meer is. Met een aantal van de vruchtbaarste polders van Nederland. En een knelpunt in de afvoer voor het water van de Maas en de Rijn, die hier Merwede heet. Na de gevaarlijke hoogwaterstanden langs de grote rivieren in 1993 en 1995 heeft de regering besloten een deel te ontpolderen om de waterafvoer te verbeteren. Winst: de veiligheid. En nog meer winst: Nederland heeft er een nieuw stuk wildernis bij, een paradijs voor vissen en vogels.

Maar dat ziet niet iedereen zo. Chris De Stoop wijst somber over het water. „Ik zie een Atlantis”, zegt de Vlaamse schrijver. „Daar woonden mensen met hun akkerland, hun gaarde, hun dieren. Dat was een hof waar mensen beschutting vonden tegen de elementen. Ik zie een mensloos, een geschiedenisloos landschap om me heen. Moet de zeearend dat nu goedmaken?”

Samen met schrijver De Stoop en de Nederlandse cineast Ruben Smit wandel ik hier een dag door de novemberregen. De twee mannen hebben elkaar nooit ontmoet, maar ze namen de uitnodiging graag aan en zijn benieuwd naar elkaars ideeën, zeggen ze. Ze delen de liefde voor natuur, maar wat ze eronder verstaan lijkt totaal verschillend.

De Stoop schreef een bestseller met Dit is mijn hof, een aanklacht tegen de ontpoldering van de Hedwige- en Prosperpolders aan de Westerschelde op de grens tussen Nederland en Vlaanderen. De boerengemeenschap waarin hij zelf opgroeide moet wijken voor rivierwater en slib.

Ruben Smit maakte in 2013 de zeer succesvolle film De Nieuwe Wildernis, vier seizoenen tussen de herten, konikpaarden en roofvogels in de Oostvaardersplassen, een stukje Flevoland waaruit de mens zich heeft teruggetrokken.

Volgende week begint zijn nieuwe natuurdocumentaire op televisie, Levende rivier, waarin hij in een kano het Nederlandse rivierenland stroomafwaarts verkent, van de Gelderse Poort in het oosten, waar de Rijn zijn grootste entree maakt, tot de sluizen in het Haringvliet. Die gaan in 2018 op een kier, waardoor zout water zich tot aan de Biesbosch opnieuw met zoet kan mengen.

Smit filmde die omheinde hectares van de Oostvaardersplassen als de Nederlandse Serengeti, de natuur als strijd op leven en dood, als the great chain of being, zonder menselijke bemoeienis. In de Biesbosch komt en gaat de mens al eeuwen, zegt hij. „De Sint-Elizabethsvloed van 1421 zorgde voor dijkdoorbraken met moerassen en een levend getijdenlandschap. Die wilde waterwereld is eeuwenlang door de mens ingepolderd, nu neemt de natuur weer de overhand. Zwemt de bever weer rond, vliegt de zeearend.”

Van de kaart geveegd

Nieuwe natuur verandert Nederland razendsnel. Of het nu gaat om nieuw aangelegde natuur, zoals de ‘Marker Wadden’ in het Markermeer bij Lelystad, of traditioneel boerenland dat het veld moet ruimen voor andere doeleinden zoals de waterveiligheid of politieke harmonie met de buren, zoals de Hedwigepolder. Natuur is in die nieuwe definitie: ruigte, moeras, plasdras, wildernis. Maar is het een verrijking of verarming?

Emoties lopen hoog op. Voorstanders prijzen de toename van flora en fauna, tegenstanders wijzen juist op de achteruitgang van vogelstand en planten in een kunstmatig landschap dat geen banden heeft met ‘vroeger’. Het romantische idee van woest en ongerept en een niet minder romantische visie op het vermeend idyllische cultuurlandschap bestrijden elkaar op de Nederlandse vierkante centimeter.

We volgen een pad, glad van de modder, dwars door hoog opgaand riet, struikgewas, zwiepende takken. Alles om ons heen is bruin, het vroegere weilandgroen is verdwenen. Dit was eens de polder Ouden Hardenhoek in de zogeheten Kleine Noordwaard, op de Brabantse ‘oever’ van de Biesbosch. De contouren van een voormalig boerenerf zijn goed zichtbaar. Even verderop markeert een rechte lijn populieren een onder de waterspiegel verdwenen landweg.

Voor De Stoop is dit een grimmige blik in de toekomst van zijn (Zeeuws-) Vlaamse polders. Ter compensatie van een diepere en bredere vaarweg naar Antwerpen moet daar extra natuur worden geschapen, maar ten behoeve daarvan wordt boerenland vernietigd. Huizen worden gesloopt. Vruchtbare landbouwgrond wordt afgegraven, slib uit de Schelde zal er overheen spoelen als biotoop voor waadvogels. Om die reden zijn Vogelbescherming Nederland en het Vlaamse Natuurpunt voorstander.

„Maar boerennatuur is ook natuur”, zegt De Stoop. „De idealisten van de nieuwe natuur maken rijk arcadisch landschap met kerkuilen en zwaluwen kapot ten gunste van ontoegankelijke moerasnatuur. Zeearenden en lepelaars zijn de troetelkinderen van de nieuwe natuurbeweging. Een kievit of veldleeuwerik telt kennelijk niet mee.” En de mensen evenmin: de laatste boerengemeenschap wordt van de kaart geveegd.

Maar het behoud van die kleinschalige landbouw met zijn relatief grote soortenrijkdom is een illusie, zegt Smit. „Ik zie weinig puurheid in het huidige en toekomstige boerenbedrijf. Veel boeren zien de natuur toch als een industrie, die steeds grootschaliger wordt, en daardoor verschraalt de natuur. Maar natuur is per definitie dynamisch en ook boerennatuur is aan veranderingen onderhevig.”

Volgens hem moeten we af van het idee dat natuur ‘te fixeren’ zou zijn. Nog geen dertig jaar geleden waren de grote rivieren als Rijn en Maas niets meer dan afvoerkanalen voor vervuild water. Het rivierenlandschap behoort tot de meest veerkrachtige natuurgebieden die er zijn. „Nergens zijn in zo’n korte tijd zoveel soorten teruggekeerd als hier. Misschien hebben we straks geen twee paren zeearenden in de Biesbosch, maar zes. En dan? Nu vinden we bevers geweldig, wie weet gaan ze ooit een plaag vormen. Kijk hoe het met de grauwe gans is gegaan: eerst een warm welkom, nu een plaag.”

Natuur zonder geschiedenis

Nieuwe natuur ‘wist het geheugen’ van het landschap, wordt wel gezegd. Het is maar waar je de geschiedenis laat beginnen. Als het is vóór de eerste nederzettingen en polders, dan sluit deze nieuwe natuur aan bij de oudste tijden. Wie vanaf de oude rivierdijk de nieuwe ‘onderwaterpolders’ binnenloopt laat de bewoonde wereld abrupt achter zich en ziet inderdaad veel, heel veel water en weinig referentiepunten.

Toen De Nieuwe Wildernis uitkwam, was De Stoop net begonnen aan Dit is mijn hof. De schok van destijds voelt hij nog steeds: de Oostvaardersplassen zijn een artificiële, steriele „replica van dat waarvan we denken dat het wilde natuur is”. Maar geschiedenisloze natuur heeft geen toekomst, zegt hij. „Mensen zoeken in een landschap altijd naar tekenen van vroeger, naar historie.”

Voor Ruben Smit kun je bijna niet ver genoeg terugkijken in het verleden. Varend in zijn kano voelde hij zich verbonden met de kracht van de rivier en daardoor met het Nederlandse landschap van ver vóór de mens. „In die wildernis was ik nietig”, zegt hij. „De rivier is geen veilige weg, ik heb tal van gevaren doorstaan. Die magie van het rivierengebied laat ik zien. Tot voor kort haalde Rijkswaterstaat alle dode bomen uit de rivier uit veiligheidsoverwegingen. Maar al filmend ontdekten we dat juist oude, verdronken bomen de ideale broedplek en schuilplaats zijn voor tal van vissen en andere waterdieren. Dus laat Rijkswaterstaat nu bomen afzinken, geklonken aan betonblokken zodat ze niet gaan drijven in het vaarwater. Ook dat zijn voorbeelden van nieuwe wildernis, van nieuwe natuur. We mogen geen klaagzang aanheffen.”

Daarom ervaart Smit „geen geschiedenisloosheid”, zegt hij, „maar juist verbondenheid met de natuur die ons land heeft geschapen. Ik zie eerder het begin van een nieuwe geschiedenis.”

Biljartlaken

In de verte roept een ijsvogel. Een zilverreiger gaat op de wieken. We lopen verder, tussen voormalige kreken en zandplaten, contouren van oude dijken die soms teruggaan tot de Middeleeuwen.

We praten over wat ‘oorspronkelijk landschap’ nog betekent nu ook boerenland in Nederland merendeels uit eindeloos biljartlaken bestaat, met één soort gewas en weinig ander leven. Anderzijds heeft de grootscheepse ‘verruiging’ van natuur ook tot gevolg dat de mens vervreemd raakt van waar ons voedsel vandaan komt. We vragen ons af of er een tussenoplossing denkbaar is, zodat natuur en boerenland weer vervlochten kunnen raken. Dan blijft de band tussen natuur en het verleden beter behouden.

„Wij komen van oorsprong uit archaïsch boerenland”, zegt De Stoop. „En met ‘wij’ bedoel ik iedereen. Klei is oorspronkelijk land. Als je de glanzende kluiten van een geploegde akker ziet liggen, dan ervaar je op zintuiglijke, intense manier de band met het landschap. Klei is ook natuur. In de nieuwe natuur ben je een passant. Ik ben afkomstig van liefde en aandacht voor een vaste plek. Geen zeemzoete natuur, maar ook rauwheid en kracht. Oud landschap leest als een boek, nieuw landschap niet.”

In de verte klinkt het metaalachtige tsjewieoe van Cetti’s zanger, een zeer zeldzaam broedvogeltje, niet veel groter dan een winterkoning, dat alleen in dicht struikgewas en altijd in de buurt van water leeft. Van de naar schatting 750 broedparen in Nederland heeft het merendeel de nieuwe ruigte van de Biesbosch als domicilie gekozen.

We passeren een plek waar bevers de nacht ervoor wilgenbomen hebben omgeknaagd. In de puntgaaf geschilde stammen zien we de afdruk van hun tanden. „De bever geeft de mensen het besef terug van de dynamiek van de natuur”, zegt Smit. „Dat waren ze kwijt geraakt.”

Dichter naderen ze elkaar niet, de filmer en de schrijver. „We delen de zintuiglijkheid van de natuurervaring”, zegt Ruben Smit. „Alleen is die bij mij anders georiënteerd.”