Wat de politiek niet regelt eindigt in de rechtszaal

Goed, mijn vorige column (‘Te veel gratis advocaten zijn niet goed genoeg’; 5-12) is dus mislukt. Tenminste als ik afga op de reacties. Advocaten voelen zich, net als journalisten, underdog en dan is het hemd gauw nader dan de rok. En het was ook een heel dik rapport dat ik probeerde samen te vatten. Dus het begon op Twitter al snel te waaien. Dit is een herkansing – gratis rechtshulp is immers een pijler onder de rechtsstaat. De druk erop neemt toe, financieel, sociaal, maatschappelijk en zelfs technologisch – de digitale opmars sluit ook groepen uit. Wie tien jaar rechtsbijstand overziet, ziet een decennium sociaal afglijden, individuele verharding en bestuurlijke onmacht passeren. In de rechtszaal eindigt alles wat de politiek niet oplost, niet regelt of niet onder controle krijgt. En dat is vrij veel.

Mede daarom gaat er steeds meer publiek geld naar advocaten. Aan de ene kant kunnen ze dat niet helpen. Aan de andere kant doen ze wel hun best om er zoveel mogelijk van binnen te halen. Van de in totaal 17.000 advocaten zijn er 7.600 bij de Raad voor de Rechtsbijstand ingeschreven – die willen graag meedoen. Het publieke rechtshulpstelsel heeft in theorie werk voor 2.700 fulltime advocaten. Het aantal advocaten is sowieso gegroeid, van 82 per 100.000 inwoners in 2002 naar 109 in 2014. Er is onderling dus meer competitie, en niet alleen om de subsidie.

Ik ben daar overigens voor. Advocaten moeten onafhankelijk zijn; vrij ondernemerschap is daarvoor een garantie. Maar er zijn ook uitwassen. Teveel advocaten zijn te afhankelijk van de subsidie. Bij een aanmerkelijke groep ‘publieke’ advocaten is bovendien de kwaliteit niet goed genoeg. Daar windt dit rapport, van de commissie Wolfsen, geen doekjes om. Er moeten meer vakeisen aan advocaten worden gesteld, om te beginnen door henzelf. Maar ook door de staat, die het geld verstrekt. Voor de kwaliteit van de beroepsgroep gebruikt het rapport het eufemisme ‘sterk wisselend’, van zeer goed tot matig. In het strafrecht zijn de eisen te laag, zowel die van de beroepsgroep als van de Raad van de Rechtsbijstand. Een advocaat die de beroepsopleiding strafrecht deed, daarna onder begeleiding vijf strafzaken bepleitte en vervolgens in tien zaken ervaring opdeed, mag zich al inschrijven bij de Raad. Dergelijke beginnelingen mogen dan ook voor ingewikkelde zaken en procedures (cassatie!) om publiek geld meedingen. De burger die zo’n publieke advocaat nodig heeft, tast intussen in het duister over het niveau van zijn raadsman. Net als de Raad, is mijn indruk.

Ik schreef vorige week vlotjes dat er advocaten zijn die een ‘dubbel ministerssalaris’ uit de rechtsbijstand halen. Dat leverde breed ongeloof op en geschamper over lieden die omzet en winst niet uit elkaar houden. Daarom nu wat nauwkeuriger. De gemiddelde advocaat die aan het stelsel meedoet heeft 62 procent gesubsidieerde cliënten en 38 procent betalende, zo begreep ik. Voor de groep die aan het stelsel meedoet is de overheid dus veruit de belangrijkste klant. Dat schept afhankelijkheid, wat niet goed is voor een advocaat. De bulk van de publieke advocaten haalt uit de subsidiepot een halve ton of minder. Maar er is ook een top drie, die van 2012 tot 2015 per advocaat, per jaar tussen de 4 en 6 ton aan publiek geld wist te declareren. Er is dus één advocaat die in 3 jaar ruim 1,5 miljoen euro omzet boekte, alleen uit publieke middelen. En er zijn tenminste 90 advocaten die twee ton per jaar weten te declareren. Dat er een ‘subsidieplafond’ moet komen, ongeveer tot het inkomen van een rechter, zoals het rapport voorstelt, lijkt me evident.

Het is de keerzijde van het feit dat er 1000 burgers zijn die iedere maand een ‘gratis’ advocaat nodig hebben. Die maken overigens deel uit van de groep van 34.000 die ieder kwartaal een gratis advocaat nodig hebben. Er blijkt dus overconsumptie van rechtsbijstand te bestaan, zowel bij de vragers als bij de aanbieders. Dat betekent dat het stelsel overbelast en uit evenwicht is.