Toch moet je die taalregels leren

Volgens een peiling van het Instituut voor Lexicografie is ‘me’ het irritantste woord van 2015. Bedoeld wordt ‘me’ als in ‘me moeder’, ‘me fiets’. Ook mensen die menen dat zij zorgvuldig articuleren, spreken het bezittelijk voornaamwoord eerste persoon enkelvoud uit als ‘me’. ‘Wacht, ik pak mijn jas’ – dat zegt een taaldove acteur, in het echt zeg je ‘me’.

Aaf, de dochter van Hugo Brandt Corstius schreef er een mooi stukje over in de Volkskrant, waarin zij zich voorstelde hoe haar vader (overleden in 2014) hierover zou denken. Die geloofde namelijk niet in regels. Ik zou dat nuanceren tot: hij geloofde alleen in zijn eígen regels, en de boete op overtreding was hoog, zoals Wouter Buikhuisen kan getuigen.

Maar, inderdaad, taal is een middel, geen doel. Het is gereedschap, en gereedschap, zie de boor, de zeis en de schrijfmachine, ontwikkelt zich. „Als iets logischer of makkelijker is, gaan mensen het zeggen”, zei Aafs vader. Zelf werd hij vaak ‘HBC’ genoemd.

Dit is het standpunt van de taalkundige. Die wil niet weten hoe het hoort, maar hoe het komt. Maar economen, geografen en medici adviseren de regering over het belastingstelsel, de aanleg van havens en de gezondheidszorg, en taalkundigen mogen ook best zeggen wat correct en incorrect is.

Maar de taalwetenschappen zijn nogal vatbaar voor politieke trends – niet voor niets wordt de Amerikaanse Modern Language Association beschouwd als bakermat van de political correctness. Normen, regels, de canon, allemaal wittemannenballotage, allemaal suspect. En wie wil dag-in-dag-uit, jaar-in-jaar-uit, tegen een klas vol tweedetaalsprekers zeggen dat ‘die meisje’ fout is? Terwijl nauwelijks valt uit te leggen waaróm het fout is? Mannelijk, vrouwelijk, onzijdig? En toch is ‘die meisje’ fout?

Mensen die zich ergeren aan ‘me’ hebben zo weinig taalgevoel dat zij zo’n futiliteit aangrijpen om dat gemis te maskeren, stelt Aaf Brandt Corstius. Misschien, maar gaat het hier om taalgevoel of om taalbeheersing? Dat laatste, lijkt mij, en kennis van de norm maakt daar deel van uit.

Dat ‘me’ is een voorbeeld van hoe de scheiding tussen gesproken en geschreven taal vervaagt. Als ik een mailtje tik en ik ga ervan uit dat ik maar een of twee regels nodig heb, gebruik ik geen hoofdletters, alleen de echt noodzakelijke interpunctie en zelfs een enkele spelfout mag blijven staan. Het is geen email, het is een berichtje. Wordt de tekst langer, dan ga ik op een gegeven moment terug en breng alsnog die hoofdletters en interpunctie aan. Het berichtje is een brief geworden, en een brief stelt andere eisen.

Nog niet zo lang geleden werd voorspeld dat het geschreven woord zou verdwijnen, we gingen naar een ‘beeldcultuur’ en zo. Maar: email, sms, blogs, Twitter, Facebook, Whatsapp, Snapchat – we schrijven meer dan ooit. Maar ooit was schrijven spreken tot; nu is het heel vaak spreken met. Schriftelijk converseren. Wat zeg ik, babbelen. Wij schrijven dingen die je eigenlijk alleen mag zeggen.

De media gaan mee, radio en televisie voorop, getuige bijvoorbeeld de recente instructie aan redacteuren van het NOS-Journaal om meer ‘spreektaal’ te schrijven. Zo ontstaat een nieuw gebied tussen spreek- en schrijftaal. Je zegt het, je appt het, maar in een werkstuk voor school of een sollicitatiebrief is het fout? Eh, ja.

Taalkundigen die beweren dat ‘een mooie huis’ ooit misschien correct zal zijn omdat elke taal nu eenmaal naar regelmaat streeft, zouden daar misschien bij moeten zeggen dat het desondanks nuttig is om de op dit moment geldende regels te leren, omdat je anders klinkt als een achterstandskind uit een probleemcummulatiegebied (PCG). En da moewe nie wille, met zalle.