Plato’s fatale idee en het genetische determinisme van Richard Dawkins

Als je ze te veel leest, worden overzichtsboeken over wetenschapsgeschiedenis een beetje voorspelbaar. En saai. Zo’n boek begint dan met de Grieken, die wel slim waren maar weinig bereikten. In de middeleeuwen had je de islamitische wetenschap, maar gelukkig zijn daar dan eindelijk Galileo, Descartes en Newton en alle andere grote helden. En dan gaat het crescendo met de wetenschap.

Gelukkig kan je dat verhaal ook subtieler vertellen. Aanvankelijk met duistere gevoelens begon ik aan Susan Wise Bauers boek met de weinig inspirerende titel: Het verhaal van de westerse wetenschap. Maar wat een leuk en levendig boek is dat!

Met als rode lijn belangrijke wetenschappelijke teksten uit 2500 jaar geschiedenis blaast Bauer met korte handzame hoofdstukken en treffende typeringen en inzichten nieuw leven in de plat getreden paden van de wetenschapsgeschiedenis. Natuurlijk beschrijft ze al die oude wetenschappers met het oog op hun bijdrage aan de moderne wetenschap, maar ze laat hen zorgvuldig in hun waarde.

De klassieke Griekse wetenschap geeft ze weer als een zee vol vrije speculaties waarin de arts Hippocrates van Kos en de Atheense filosoof Plato een beetje ordening aanbrengen. Hippocrates (die van de artseneed) gooide de goden uit zijn speculatieve verklaringsmodel, een revolutionaire stap. Ziekten werden volgens hem veroorzaakt door natuurlijke omstandigheden en niet door ontevreden goden.

Een fatale vernieuwing van de invloedrijke Plato was vervolgens dat volgens hem ideeën en abstracte concepten méér realiteitswaarde hebben dan de concrete dagelijkse werkelijkheid. Eigen waarnemingen zijn dan niet erg relevant meer.

Bauer houdt niet veel ruimte over om te vertellen over de maatschappij om de wetenschap heen. Of voor de vraag waarom er zo lang zoveel erg slimme mensen aan wetenschap deden en dat het toch pas in de zeventiende eeuw was dat de wetenschap echt succesvol werd. Maar goed, over die vragen kun je toch het beste Floris Cohens prachtige De herschepping van de wereld. Het ontstaan van de moderne natuurwetenschap verklaard (2007) lezen.

Het boek van Bauer lees je om het snelle overzicht van de belangrijkste wetenschappelijke ontwikkelingen. Aristoteles? Die had als eerste oog voor verandering. En de Romeinse dichter Lucretius? Die „was de Richard Dawkins van de klassieke wereld, vurig in zijn materialisme, meedogenloos in zijn kritiek op hen die bleven vasthouden aan bovennatuurlijke verklaringen”, aldus Bauer.

Het boek beslaat een breed spectrum van wetenschap. Mooi is de beschrijving van moderne biologische wetenschap, die pas groot werd toen in de jaren dertig de evolutietheorie van Darwin werd verbonden met biochemie. Bauer geeft ook een knappe samenvatting van de vele ruzies in de jaren zeventig over genetisch determinisme, tussen Richard Dawkins, E.O. Wilson en Stephen Jay Gould.

De weerstand tegen nu vanzelfsprekende wetenschappelijke vernieuwingen wordt vaak uitgelegd als conservatisme of sulligheid. Maar in werkelijkheid was er meestal meer aan de hand. Bauer legt bijvoorbeeld uit waarom de ‘revolutie’ van Copernicus (de aarde draait om de zon, en niet andersom) in de zestiende eeuw nog niet erg overtuigde: het nieuwe model verklaarde belangrijke hemelverschijnselen nog niet. Dat werd pas later uitgewerkt en opgelost. Hetzelfde gold voor de twintigste-eeuwse geologische revolutie door de theorie van de platentektoniek. Die kon aanvankelijk ook allerlei verschijnselen niet goed verklaren.