Pas op! overstekende rendieren

In de wonderschone natuur van Zweden struikel je niet over feestende jongeren, wel over dieren. Kopje rendiervleeskoffie, iemand?

In de bossen rond Idre Fjäll, net ten zuiden van Lapland: elanden, rendieren (zoals dit exemplaar), zwijnen, heel veel soorten vogels en zelfs beren en wolven. Foto Istock, Illustratie Tjarko van der Pol

Er is mij beloofd dat dit deel van Zweden heel mooi is. Het zou het meest Zweedse stukje Zweden zijn: „Zweedser dan Abba en Ikea samen”, aldus het toeristenbureau. Dat moet ik dan maar geloven, want bij aankomst rond etenstijd in het dorpje Idre Fjäll zie ik geen hand voor ogen. Donker is ook echt donker hier, bijna 500 kilometer ten noorden van Stockholm.

’s Ochtends blijkt de taiga, het met naaldwoud bedekte heuvellandschap van midden-Zweden, oneindig ver uitgerold rond het hooggelegen plaatsje. Nou ja, hoog. Misschien voor Nederlanders. Dit bergje tikt amper de duizend meter aan. Daarmee steekt Idre Fjäll wel boven de rest van de omgeving uit. En omdat het zo noordelijk is, ligt hier genoeg sneeuw. Zelfs de wegen blijven hier wit (iedereen rijdt met spijkerbanden). Het laagje in het dorp komt tot de enkels, op de pistes ligt een dikke, door pistebully’s aangestampte laag sneeuw. De wintersportcondities zijn hier simpelweg niet minder dan in de meeste Alpengebieden.

Daar houdt de vergelijking op. Waar je in de Alpen en in de grotere Scandinavische skigebieden kunt struikelen over brakende studenten die in hun onderbroek een weddenschap aan het verliezen zijn, loop je hier het risico een eland tegen te komen. Ook houden de Lappen, die tegenwoordig liever Samen worden genoemd, hier honderden rendieren die naast je hotel kunnen opduiken of ineens de piste oversteken.

Ook zeer on-Alps zijn de buitencurriculaire activiteiten. Je kunt hier, als je geen zin hebt om te skiën, een ritje maken in een paardenkoets vol dikke huiden om je warm te houden, op snelheid een hondenslee besturen, of een stukje noordelijker een kopje vleeskoffie (dat lees je goed) drinken in een met vuur verwarmde lavvu bij de Samen, omringd door semi-tamme rendieren. De koffie met stukjes rendiervlees is nauwelijks binnen te houden, maar de natuur is hier wonderschoon en de rondscharrelende rendieren maken zo’n bezoek inderdaad Zweedser dan Zweeds.

Het dorpje zelf steekt er een beetje prefab bij af. De huisjes van hout zijn bastbruin, of in de voor Scandinavië typische kleur rood geschilderd, maar nogal eenvormig. Ook de grote grijze sporthal en het lelijke winkelcentrumpje helpen het dorp niet aan een schoonheidsprijs. De omgeving wel. Om het dorp heen is een groot bos, daarachter is meer bos, en verder vooral erg veel bos. Staand bovenop de naamloze berg van Idre Fjäll kun je Noorwegen zien liggen, als het helder is, en ook daar is buitengewoon veel bos. In die bossen: elanden, rendieren, zwijnen, vreselijk veel soorten vogels en zelfs beren en wolven. Op de heenweg was ik krap vijf minuten over de grens van Zweden toen er een eland over de weg heen sjokte.

Dat de Zweden ondanks al die natuurpracht nog Nederlandse journalisten zoals ik laten invliegen in de hoop dat ze er een positief stukje over schrijven, is ook wel weer te verklaren: dit gebied is voor veel Nederlanders simpelweg te ver voor een weekje wintersport: het is ruim 19 uur rijden vanuit Utrecht. In de zomer zijn hier genoeg landgenoten, ongeveer 20.000 per jaar, maar in de winter zijn het vrijwel alleen Zweden (90 procent) en wat Noren die hier op de 60 kilometer aan pistes komen skiën.

Ik ging per vliegtuig, via de Noorse hoofdstad Oslo. Erg goedkoop is dat niet en bovendien moet je na aankomst nog zeker vijf uur over stijf bevroren, bochtige tweebaanswegen rijden. Er gaat ook een bus, die weliswaar comfortabel is en naar goed Scandinavisch gebruik is uitgerust met babyzitjes, veiligheidsgordels en gratis wifi, maar die gaat tot de Zweedse grens, waarvandaan je een auto kunt huren of een taxi kunt nemen. Een trip naar Idre Fjäll is, totdat het geplande vliegveld Scandinavian Mountains in 2017 opengaat, omslachtig en bovendien niet erg groen of ecobewust te noemen.

De stichting Idre Fjäll, die de activiteiten rond deze berg bestiert, wil niet uitbreiden naar de ongerepte heuvels in de omgeving. Het gaat haar niet om de winst. „Je kunt op de hele planeet al naar McDonald’s of Starbucks, maar wij willen gebruik maken van de lokale activiteiten en producten. Daarmee richten we ons niet op iedereen. We weten dat we een goed gebied zijn voor families, en dat is waar we ons op richten. Voor nachtclubs moet je ergens anders heen”, zegt Sofie Andersson van de stichting.

De stichting wil de natuur hier graag zo houden, dat is immers haar unique selling point. Het gebied is het eerste in Scandinavië dat werkt met een hybride pistebully die op elektriciteit en diesel kan rijden. Daarnaast wordt afval zoveel mogelijk gerecycled en in samenwerking met een gespecialiseerd bedrijf maken de winkels, restaurants en alle accommodaties zich er sterk voor om de hoeveelheid vuilnis en afval zo klein mogelijk te houden. Een voordeel is dat alles in het dorpje dichtbij is: je hoeft eigenlijk nooit de auto in. Wie off-piste wil skiën of boarden kan in de omliggende heuvels uitgestrekte pockets met poedervelden vinden, maar het moet wel te voet: je mag hier maar beperkt sneeuwscooters gebruiken.

Die natuur maakt dit gebied de moeite waard. Er is trouwens ook weinig mis met de pistes. Je kunt de berg afdalen in de vier windrichtingen, van lekker brede, goed geprepareerde pistes, en er is ook uitdaging: er zijn hier zwarte pistes, waaronder de steilste en snelste van Scandinavië. Voor langlaufers is er bijna 260 kilometer aan loipes, inclusief een professionele arena en de mogelijkheid om, als de sneeuw hard genoeg is, je volledig vrij te voelen en de taiga op te gaan. In deze regio is elk jaar de grootste langlaufwedstrijd van het land, Vasaloppet.

Hamburger van wild zwijn

Ik ben niet vies van een feestje, maar het gebrek aan clubs, disco’s en hossende après-skimenigten brengt best wat rust. ’s Ochtends zonder hoofdpijn of misselijkheid de piste op is ook wat waard. Over maaginhoud gesproken, het eten rond deze pistes is niet goedkoop noch erg lekker – een in jus verdronken schnitzel of een vettige hamburger. Wel van wild zwijn, maar niet met veel smaak. Maar er is koud bier en warme chocolademelk, en als je ergens gaat ontbijten ontdek je dat de verschillende soorten knäckebröd die de Zweden bakken niet te tellen zijn.

Idre Fjäll is geen oord voor echte ski- of snowboardfanaten; die gaan zich na twee dagen vervelen. Ook voor een groep jongeren die het aangename (skiën) met het aangename (drinken) verenigt, is hier weinig te doen. Het zijn de simpele geneugten waarvoor je naar Idre Fjäll moet komen. Dat je hier rustig je kinderen kunt meenemen om ze te leren skiën, dat je je reisgenoten altijd weer tegenkomt omdat alles op hetzelfde punt samenkomt, dat je er de volgens de Zweden hartstikke hippe sport langlaufen kunt beoefenen, of omdat je hier rendiervlees in je koffie kunt krijgen. En daarna weer een paar keer de pistes af.