Liedjes zonder muziek

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Patricia Highsmith (1921-1995) beschikte over een morbide fantasie die enkele tientallen enerverende psychologische thrillers heeft opgeleverd. Een aparte plaats in dit oeuvre neemt de lesbische liefdesroman in, die zij in 1952 aanvankelijk onder pseudoniem publiceerde en die onder de titel Carol [1] furore maakte. Het verlegen winkelmeisje Therese Belivet – alter ego van de schrijfster – valt als een blok voor een rijke blonde dame, Carol Aird. Het komt tot een relatie, maar Carol wordt door de man van wie zij gaat scheiden in het gevecht om de voogdij over haar kind gechanteerd met haar homoseksualiteit. De vrouwen gaan om die reden uit elkaar, toch lijkt uiteindelijk de ontembare passie te zullen overwinnen.

Verwacht van een schrijfster als Highsmith geen zoetelijk verhaaltje: de spanning is soms te snijden. Voor zover de lesbische liefde maatschappelijk, en vooral door de betrokken vrouwen zelf, is geaccepteerd, heeft de roman daar in de VS zeker toe bijgedragen. Voor een verfilming van dit liefdesverhaal was de tijd blijkbaar nu pas rijp – deze vertaling is het boek bij de film met Cate Blanchett en Rooney Mara in de rollen van de twee geliefden.

‘Eigenlijk heb ik veel verdriet altijd om alles’, schreef de lange tijd met zijn homoseksualiteit worstelende C.O. Jellema (1936-2003) aan zijn twee jaar jongere broer. De negentien door Gerben Wynia geselecteerde en geannoteerde brieven van de Groningse dichter aan zijn ‘beste lezer’ [2], geschreven tussen 1979 en 1999, gaan vrijwel allemaal over de vraag ‘hoe te leven’. De twee broers hadden weinig gevoel van eigenwaarde en zochten de oorzaak daarvan in hun benepen opvoeding. ‘Ik 62, jij bijna 61. (…) We hebben in stramienen geleefd waarvan we verwachtten dat ze ons een identiteit zouden geven: meetellen, gezien worden. We werden gezien, maar daar waar we het niet zochten, vaak niet voelden/beseften dat we er gezien werden (bemind werden).’

Lachebekjes waren de gebroeders Jellema duidelijk niet, toch waren ze dol op de beroemde dagboeken van die andere schrijvende broers, de Goncourts. ‘Ik geniet ervan en schiet vaak in de lach om hun pinnige humor.’ Zouden ze van Drs. P. hebben gehouden?

Behalve een keuze uit de liedteksten van de dit jaar overleden Drs. P bevat de bloemlezing Troika hier, troika daar (Het allermooiste bij elkaar) [3] nog twee afdelingen: proza en gedichten. De samenstellers, Renske de Greef en Ringo Maurer, schrijven in een voorwoord dat zij hebben gestreefd naar een goed overzicht van het omvangrijke werk, met zowel aandacht voor de klassiekers als voor minder bekende stukken. Bij de liedteksten mis je uiteraard de melodie en vooral het onnavolgbare stemgeluid van de schalkse plezierdichter. De liefhebber, voor wie zo’n boek bestemd is, hoort die er zelf wel bij in zijn hoofd.

Het voorwoord zingt terecht de lof van het ‘feilloze taalgevoel’ van ‘de grootste taalvirtuoos van Nederland’. Het is wonderlijk hoeveel zeslettergrepige woorden – onmisbaar in het ollekebolleke – onze taal kent, of hoeveel er nieuw gemaakt zijn door deze begenadigde dichter van light verse, die meer was dan een knappe knutselaar met taal. Het humoristische proza is soms nogal melig, maar in een melige bui zijn melige teksten leuk – een woord dat de samenstellers van deze bloemlezing willen uitbannen. Begrijpelijk, maar Drs. P trok zich ook van dat soort verboden niets aan.

Ook best leuk, want melig, zijn de door Wim Hazeu onder het stof vandaan gehaalde Kortere verhalen [4] van de vergeten ‘literaire randfiguur’ Ben Wolken (1924-1988). Hij publiceerde zijn uitgebreide aforismen, gecomprimeerde anekdotes, micro-sprookjes en grappen in de jaren zestig van de vorige eeuw in de culturele tijdschriften Roeping en Raam.

Dit is er één van de 350 die Hazeu bundelde en van een nawoord voorzag: ‘Ik heb er niets van terecht gebracht, alles is tegengevallen, zelfs mijn grootste onderneming is in mijn oog een mislukking, ’t is dwaasheid om te denken dat ik iets beteken –, zei de beroemdheid in een dronken bui. Je had evengoed niets kunnen doen, knikte een vriend, vol meegevoel en ook drank. Toen werd de beroemdheid helder. Dat heb ik niet gezegd, zei hij.’