Kerken in Arabië, ook onder de kaliefen

Er wordt steeds meer bekend over de christelijke geschiedenis van Arabië. Er zijn veel kloosters teruggevonden.

Deze nestoriaanse kerk ten westen van de Saoedische havenstad Jubayl werd in 1986 ontdekt door een jonge Saoediër, wiens auto was vastgelopen in het zand. Mogelijk 5de of 6de eeuw. Foto’s Harold Brockwell

Het Arabische schiereiland is heel lang beschouwd als een lege zandbak zonder oude cultuurmonumenten. Als een door bedoeïenen bevolkte bufferzone tussen de stedelijke beschavingen van de Indusvallei, Perzië, Mesopotamië en de Levant. Pas in de jaren zeventig begonnen archeologen te beseffen dat Arabië in feite een schatkamer is, met spectaculaire overblijfselen uit de prehistorie en de Oudheid. Van Jordanië tot Jemen, van de Golf van Akaba tot Oman. En rond de komst van de islam, in de zevende eeuw na Christus, blijkt het christendom veel verder te zijn doorgedrongen in Arabië dan lang werd aangenomen.

De Universiteit Leiden wijdde deze week een internationaal symposium aan de archeologie van Arabië. Eén van de gastsprekers was de Britse archeoloog Robert Carter, hoogleraar aan University College London (UCL) en docent aan het UCL-filiaal in Qatar. Langs de Arabische kust van de Perzische Golf doet hij al jaren onderzoek naar oude nederzettingen van parelvissers en naar vroegchristelijke kerken en kloosters. Want die zijn gevonden aan de Golf, en er liggen er waarschijnlijk nog meer in het woestijnzand en onder het asfalt van de uit hun voegen barstende Golfsteden.

De Golfstaten zijn intussen redelijk goed verkend, vergeleken met Saoedi-Arabië en Jemen. De Golfsjeiks en de sultan van Oman zien het toeristische potentieel van archeologische vindplaatsen met musea. Maar de Saoedi’s zijn nooit zo toeschietelijk geweest als het ging om onderzoek naar hun pre-islamitische verleden. Religieuze hardliners beschouwen dat als de tijd van jahilliyah, de duisternis voordat het licht doorbrak van de islam. Toch ziet Robert Carter ook daar beweging, vertelt hij in een gesprek.

Carter: „Saoedi-Arabië is een verdeelde samenleving. Er zijn veel verschillende agenda’s en belangen. Ik heb er nooit langdurig onderzoek gedaan, maar ik ken veel mensen die dat wel doen, zoals Laïla Nehmé, die meedoet aan een groot paleografisch onderzoeksproject in de Nabatese ruïnestad Mada’in Saleh, in het uiterste noordwesten van Saoedi-Arabië. En in Tayma, een grote oase met een lange vestigingsgeschiedenis in het noordoosten, werken al enige tijd onderzoekers van een Duits archeologisch instituut. Archeologie en toerisme zijn in Saoedi-Arabië intussen ondergebracht bij hetzelfde ministerie. De Saoedi’s zien opgravingen nu als een manier om belangstelling te wekken voor hun land en zo inkomsten te genereren. Dat is een model waarmee wij archeologen kunnen werken.”

Klein klooster

Carter deed zelf onderzoek op Sir Bani Yas, een eilandje in de Perzische Golf dat hoort bij het emiraat Abu Dhabi, en in Al-Qusur, op het eiland Failaka voor de kust van Koeweit. Op beide locaties zijn vroege christelijke kerken gevonden, in Sir Bani Yas ook een klein klooster. Carter heeft deze bouwwerken aan de hand van aardewerk gedateerd tussen de late 7de eeuw en het midden van de 8ste eeuw. Dat wil zeggen, geruime tijd nadat het kustgebied werd veroverd door de nieuwe islamitische machthebbers in Arabië (634). Deze vondsten werpen een nieuw licht op de kerstening van Arabië en op de verstandhouding tussen de islamitische machthebbers en christelijke gemeenschappen in hun gebied.

Aan het begin van de zevende eeuw waren delen van het Arabisch schiereiland vergaand gekerstend. Er was het Arabische christelijke koninkrijk der Ghassaniden, een vazalstaat van Byzantium in het huidige Jordanië. En in het grensgebied met Irak lag het Arabische christelijke vorstendom van de Lakhmiden, onderhorig aan het Perzische Rijk. En ook delen van het huidige Jemen.

Carter: „Oostelijk Arabië is waarschijnlijk gekerstend sinds de 4de eeuw, misschien al vanaf de 3de eeuw. Tenminste, dat blijkt uit kerkdocumenten in het Oud-Syrisch en Aramees; we zien daar als archeologen pas in de 7de eeuw de fysieke tekenen van. Dat komt door veranderingen in het kloosterleven. Pas in de 7de eeuw ontstonden overal in het Midden-Oosten georganiseerde kloostergemeenschappen. Het ging niet langer om solitaire monniken, of groepjes asceten die in de wildernis leefden, maar er verrezen ommuurde complexen waar monniken samenleefden onder kloosterregels. Voordien waren ook de kerkjes niet te onderscheiden van woningen.”

Nestorianen

Oostelijk Arabië is vooral gekerstend door de nestoriaanse Kerk van het Oosten. De volgelingen van bisschop Nestorius (386-450) meenden dat God-zijn en mens-zijn twee afzonderlijke eigenschappen waren van Christus. Zij werden halverwege de 5de eeuw door de Byzantijnse kerk tot ketters verklaard en weken toen in groten getale uit naar het Perzische Rijk. Daar werden zij over het algemeen goed ontvangen door de dynastie der Sassanieden, zelf zoroastriërs. Carter: „De Golfkerk rapporteerde rechtstreeks aan de katholikos (patriarch) in Ctesiphon (Irak), de oude Sassanidische rijkshoofdstad.”

De kerken die zijn gevonden aan de Arabische Golfkust waren over het algemeen klein. Carter: „Met één uitzondering. Dat is een groot klooster op het eiland Kharg, voor de kust van het huidige Iran. Dat is een complex met cellen voor monniken, een scriptorium, een ziekenzaal en een grote kerk. We weten geen naam, want we hebben geen tekst.”

Aan de Arabische kust zijn er verder de vondsten op Sir Bani Yas, een kleine kerk met een kloostergebouw en een aantal woningen eromheen, en het dorp met kerk van Al-Qusur (Koeweit).

Carter vermoedt dat er nog veel meer is: „Grootste kanshebbers zijn plekken die vanouds het dichtst bevolkt waren, maar daar liggen nu steden. Er is een dorp op het eiland Muharraq, Bahrein, dat Dayr heet, en dat betekent ‘klooster’. En er is een dorp, Samaheej, aan de noordkust van Muharraq, met een moskee die bekend staat als de Moskee van de Priester. Waarschijnlijk ligt er een kerk onder. Verder is in 1986 bij toeval een 6de-eeuwse kerk gevonden in Jubayl, aan de Saoedische kust. Daar is nog nooit gegraven.”

Paradoxaal genoeg valt de bouw van zichtbare kerken en kloosters aan de Arabische Golfkust samen met de komst van de islam. Carter: „Je ziet de kerken pas als de islam de dominante religie is geworden. Dat is misschien geen toeval. Als gemeenschappen zich moeten profileren tegenover andere doen ze dat op een zichtbare manier. Maar men denkt nu dat een en ander samenhangt met veranderingen in het kloosterwezen.”

Volgens Carter was er sprake van op en neergaande tolerantie van de nieuwe machthebbers tegenover christenen. In 647 schreef patriarch Isoyabh III in een brief aan de metropoliet van de Golfkust: ‘Deze Arabieren, aan wie God voorlopig de wereldmacht heeft geschonken, staan ons zeer na. En niet alleen omdat zij de Christelijke godsdienst met rust laten. Zij prijzen ons geloof, eren de priesters en heiligen van de Heer en staan kerken en kloosters gunsten toe’.

Rond 850 loopt het christelijke spoor dood aan de Arabische Golfkust. De 9de en 10de eeuw waren turbulent door slavenopstanden in Zuid-Irak en de tijdelijke verovering van oostelijk Arabië door de Qarmatiërs, een heterodoxe beweging van sji’ieten en mystici. Pas toen, denkt Carter, hebben de christenen van de Golf zich waarschijnlijk bekeerd tot de islam.