‘Ja, ik voetbal met jihadisten’

Antropoloog Martijn de Koning, getuige-deskundige in het Haagse jihadproces, trekt veel op met Syriëgangers. Staat hij ook aan hun kant? „Je krijgt onvermijdelijk een band met sommige jongens.”

Tekst Sheila Kamerman en Andreas Kouwenhoven Foto Merlijn Doomernik

Foto Merlijn Doomernik

De politiehelikopter klappert boven het Haagse voetbalplein. Een groep agenten omsingelt een groep van veertig moslims die zwaaien met jihadvlaggen. Ze weigeren zich te legitimeren. Er wordt geduwd, er vallen klappen. Enkele jongeren worden afgevoerd. De rest schreeuwt: ‘Takbir! Allahu Akbar!’

In de groep staat een ongewone figuur: een 43-jarige man met een stoppelbaard en warrige krullen. Hij filmt zwijgend. Het is de antropoloog Martijn de Koning.

De wetenschapper moet snel beslissen. Stapt hij uit de omsingelde groep moslims? Of blijft hij staan en weigert hij zich net als de anderen te legitimeren? Die vragen zijn exemplarisch voor zijn hele carrière: aan welke kant staat hij? Hij blijft staan en weigert zich te legitimeren.

„Achteraf gezien ging ik daar een grens over”, zegt de antropoloog van de Nijmeegse Radboud Universiteit en de Universiteit van Amsterdam. „Ook een antropoloog moet zich aan de wet houden. Maar ik moest snel kiezen. Als ik me zou legitimeren zou ik uit de groep worden gehaald en niet meer terugkunnen.”

Martijn de Koning trekt al jaren op met moslims, onder wie ook radicale. Zij vormen zijn onderzoeksobjecten. Maar hij heeft ook een hechte band met ze opgebouwd. Als er naar zijn idee onzin over hen wordt verkondigd, neemt hij het publiekelijk voor hen op. Wordt er een aanslag gepleegd op de cartoonisten van Charlie Hebdo, dan schrijft De Koning in een opiniestuk dat we terughoudend moeten zijn in het verspreiden van „islamofobe cartoons”. Dreigt er gevaar van Syriëgangers, dan zegt De Koning dat we hen vooral moeten proberen te begrijpen.

In het gepolariseerde debat over terrorisme wordt hem dat niet in dank afgenomen. ‘Dr. Kromzwaard’ luidt zijn bijnaam op sociale media. Telegraaf-columnist Rob Hoogland noemde hem „een invloedrijk lid van de Nederlandse jihadi-gemeenschap”, weblog Geenstijl spreekt over „salafistenlikker”.

Zelf noemt Martijn de Koning zich een „neutrale onderzoeker”. Hij trad op als getuige-deskundige in het Haagse terrorismeproces dat de afgelopen maanden werd gevoerd. De rechtbank sprak donderdag in die zaak celstraffen uit tot zes jaar tegen leden van een terroristische organisatie die jongeren ronselden voor de gewapende jihadstrijd in Syrië.

In dit proces speelde De Koning een cruciale rol. Hij beweerde dat de groep géén terroristische organisatie vormde, maar slechts een groepje vrienden was. Aanvankelijk zette het Openbaar Ministerie vraagtekens bij zijn neutraliteit. De antropoloog zou te weinig afstand hebben bewaard tot zijn onderzoeksgroep en gunsten verlenen aan de verdachten. De rechtbank vond De Koning juist een „buitengewoon waardevol” getuige-deskundige. Mede op basis van zijn verklaring dat de groep overlegde over acties, een jihadistische ideologie deelde en een vaste harde kern had, kon de rechter hen als organisatie veroordelen.

De Koning was donderdag bij de uitspraak aanwezig. Nadat het vonnis was uitgesproken liep hij beduusd de zaal uit. „Ik ben verbijsterd”, zei hij. „De rechter gebruikt mijn woorden om ze als organisatie te veroordelen. Terwijl ik ze géén organisatie vond.”

Vorig jaar publiceerde De Koning met drie collega’s een onderzoek over militant activisme van moslims: Eilanden in een zee vol ongeloof, een studie van de Radboud Universiteit en de Universiteit van Amsterdam. Voor dit onderzoek volgde Martijn de Koning onder meer de Haagse jihadisten en een groot aantal jongeren om hen heen die gedurende het onderzoek uitreisden naar Syrië. Hij beschrijft hen in de studie als activistische moslims, die gebruik maken van hun democratische rechten om hun boodschap uit te dragen. Het zou hen vooral te doen zijn om het provoceren. Diezelfde groep is nu veroordeeld als ronselorganisatie die jongeren wilde klaarstomen voor de gewapende strijd in Syrië. „Dat mijn reputatie is aangetast, is helder”, zegt de onderzoeker. „Vind ik dat erg? Tot op zekere hoogte.”

Betekent deze uitspraak van de rechter dat uw studie de prullenbak in kan? Jongeren die u als activisten beschrijft, blijken terroristen.

„Ik bestempel ze nog steeds als activisten. Het gaat om de bril die je opzet. Beleidsmakers en justitie kijken naar radicalisering door een veiligheidsbril: wordt er geweld verheerlijkt? Dat kan een insteek zijn. Ik kijk er anders naar. Omdat dat andere vragen oplevert, en andere inzichten: Waaróm gedragen mensen zich zo? Wat voor invloed hebben de etiketten ‘jihadist’ en ‘radicaal’ die overheid en media gebruiken op de leden van de groep? Die vragen vind ik interessanter.”

Dus u had vooraf besloten dat het activisten zijn?

„We hadden van tevoren besloten: we bekijken ze door de bril van activisme. Je zet die bril op om tot die andere vragen te komen. De vraag is wel tot wanneer dat houdbaar is. Zelfs als ze een aanslag zouden plegen, kun je het perspectief van activisme volhouden. Maar een aanslag is niet gebeurd.”

Een deel van uw onderzoeksgroep is afgereisd naar Syrië en heeft zich aangesloten bij IS. In de ogen van de Nederlandse autoriteiten zijn zij terroristen.

„Juist omdát de overheid hen bestempelt als terroristen, is het belangrijk dat ik hen activisten noem. Ik hoef het standpunt van de overheid niet klakkeloos over te nemen. De overheid is geen neutrale speler, die heeft belangen. Het woord terrorist is een politiek geladen term. Op dit moment beschouwt de overheid radicalisering als een groot probleem. Vroeger was dat anders. Het is belangrijk te analyseren wat de gevolgen van die wijziging zijn voor de mensen in kwestie.”

Machthebbers gingen vroeger meer ontspannen om met radicalisering, zegt De Koning. Aanslagen van de IRA en de ETA veroorzaakten een schok, maar geen diepe onzekerheid zoals nu. De reactie op het terrorisme uit islamitische hoek is volgens de antropoloog veel repressiever. „We weten dat repressie er voor zorgt dat sommige mensen afhaken. Maar het heeft ook nogal wat averechtse effecten. Een beweging verdwijnt niet. De aanhangers die blijven, verharden. Het wakkert radicalisering verder aan.”

Hij noemt het optreden van de politie op het Haagse voetbalveldje, waar hij bij was. „De houding van de jongens is daardoor verhard. Ze zien het als bewijs dat moslims geen gelijke rechten hebben – zij mogen niet bijeenkomen op een veldje.”

En de media? Volgen die volgens u te veel de lijn van de overheid?

„De media vinden het allemaal heel spannend en eng en geven daardoor onevenredig veel ruimte aan hun propaganda. Daar spelen die jongens op in. Ze richten bijvoorbeeld een Facebook-pagina op: ‘Islamitische Staat in de Schilderswijk’. Hoewel er niets gebeurde op die pagina, doken de media er meteen bovenop. Die jongens hebben zich doodgelachen.”

Martijn de Koning loopt naar buiten om een sigaret te roken. Hij staart over het stationsplein van Den Bosch, waar de miezer neerdaalt. „Weet je wat ik jammer vind?”, zegt hij terwijl hij een trek neemt. „Veel ambtenaren wantrouwen mij, omdat ik kritiek heb. Als ik iets wil navragen bij het ministerie van Justitie, is de reactie: Dat ga je zeker doorvertellen aan die jongens. Als ik voor mijn onderzoek de politie wil spreken of het Openbaar Ministerie, wordt dat afgehouden. Men vertrouwt het niet, wil weten aan welke kant ik sta.” Hij haalt zijn hand door zijn krullen en corrigeert zichzelf: „Nee, de overheid wil niet weten aan welke kant ik sta, ze willen dat ik aan hún kant sta. Het wordt niet geaccepteerd als ik zou zeggen: ik ben niet voor en niet tegen IS. Met neutraal nemen ze geen genoegen.”

Religie heeft Martijn de Koning altijd gefascineerd, vertelt hij. „Mensen kunnen er zoveel steun en inspiratie aan ontlenen.” Tijdens zijn jeugd in Eerde waar hij als katholiek jongetje opgroeide, zag hij dat. Katholiek is hij niet meer, al heeft hij zich nooit uitgeschreven. „Ik vind het lastig de kracht van religie te snappen. Het intrigeert me hoe mensen religie in de praktijk brengen. Dat verklaart ook waarom mijn onderzoek nooit over radicalisering gaat, maar over het religieus zijn.”

Zo wilde hij ook de Haagse moslims neutraal bestuderen, in een poging hen te begrijpen. „Het maakt niet uit of je het met hen eens bent, daar gaat het niet om. Als antropoloog kijk je niet alleen naar wat mensen zeggen wat ze doen, maar ook naar wat ze daadwerkelijk doen. In het openbaar maar ook thuis, met familie en met vrienden. Je krijgt zo een vollediger beeld omdat mensen hun gedrag aanpassen aan de omgeving. Om mensen, hun opvattingen en handelingen echt te kunnen begrijpen, heb je die bredere context nodig.”

Als antropoloog moet je altijd manoeuvreren tussen distantie en nabijheid, zegt De Koning. „Als je onderzoek deel uitmaakt van een gepolariseerd maatschappelijk debat is dat heel lastig omdat je altijd wordt gevraagd aan welke kant je staat. Onder gepolariseerde omstandigheden geldt een normale onderzoekshouding opeens als gebrek aan distantie.”

De manier van onderzoek doen heeft als voordeel dat Martijn de Koning als een van de weinige Nederlandse onderzoekers toegang heeft tot de wereld van jihadistische moslims. Niemand volgt ze al zo lang. Zonder hem zou niemand weten wat zij onderling bespreken. Aan de andere kant wordt hem verweten te amicaal met hen om te gaan. De antropoloog is niet alleen aanwezig bij lezingen en demonstraties, maar whatsappt ook met hen, eet broodjes kebab met hen, laat hen onderling discussiëren op zijn Facebook-pagina. „Zoals een antropoloog hoort te doen, je trekt zoveel mogelijk op met de mensen die je onderzoekt. Zou ik onderzoek doen naar Papoea’s, had niemand die omgang een probleem gevonden”, zegt De Koning. „Maar een antropoloog die gaat voetballen met jihadisten – dát kan niet. Mij wordt dus eigenlijk verweten dat ik antropoloog ben.”

Tijdens de rechtszaak kwam naar voren dat hij Rudolph H., nu veroordeeld als lid van een terroristische organisatie, hielp bij het schrijven van zijn scriptie. De Koning: „Natuurlijk verleen ik hem een gunst. Ik zie daar geen enkel probleem in.” Ook gaf de antropoloog feedback op een powerpointpresentatie die de groep maakte voor een islamitisch project. Diezelfde powerpointpresentatie dook op in de rechtszaak: justitie beschouwde het als organogram van een terroristische organisatie. De Koning: „Dat was wel raar, ja.”

Als je zo lang en intensief met deze jongens optrekt, is het dan niet lastig om afstand te bewaren en neutraal te blijven?

„Je krijgt met sommige jongens een band, dat is onvermijdelijk. En het is ook nodig om goed onderzoek te kunnen doen. Een jongen als Soufiane [jihadstrijder Soufiane Z. die gesneuveld zou zijn, red.] ken ik al sinds 2006. In die tijd is hij getrouwd, vader geworden. We vertrouwden elkaar. Het was een sociale, intelligente jongen. Toen ik hoorde dat hij was omgekomen in Syrië, was ik echt van slag.”

Waren jullie bevriend?

„Er was sprake van wederzijdse waardering.”

Soufiane heeft namens IS een video gemaakt waarin hij naast een massagraf staat en zegt: ‘Het stinkt hier naar verrotte kuffar’ (ongelovigen). Veel mensen zullen het vreemd vinden dat u voor zo iemand waardering voelt.

„Die video zit behoorlijk goed in elkaar. Sterk gefilmd. Soufiane had een goede journalist kunnen worden als hij een andere afslag had genomen in zijn leven.

„Ik kon wel volgen waarom hij tegen het Assad-regime wilde vechten. Het begon te wringen toen hij vanuit Syrië de etnische zuivering ging verdedigen. Daar had ik wel... moeite mee. Net als die gewelddadige filmpjes. Eind 2013 had ik daar echt mijn buik van vol. Maar je kunt niet met hen praten zonder dat je die filmpjes kent, dus op een gegeven moment moet je toch weer kijken. Voordeel is dat je op andere dingen gaat letten. Dan bekijk je zo’n filmpje voor de tiende keer en zie je opeens een bekende langskomen.”

Hoe wint u als ongelovige wetenschapper het vertrouwen van jihadisten?

„Activisten willen een boodschap uitdragen. Van mij weten ze dat ik neutraal weergeef wat er wordt gezegd. Niet kritiekloos: ik geef ook weer hoe anderen erover denken. Dat kan wel eens mis gaan. Zo sprak ik voor mijn onderzoek in 2013 met Maiwand al-Afghani, een jongen die onenigheid had gekregen met de rest van de groep. Hij uitte allerlei beschuldigingen en zette het gesprek op YouTube. Toen brak de pleuris uit. De groep werd ontzettend boos op me en verbrak het contact. Het vertrouwen leek even helemaal verdwenen. Tot ik onuitgenodigd op een demonstratie verscheen. Twee jongens kwamen naar me toe en gaven een hand. Toen was het weer goed.”

Omdat u zo dicht op deze groep zat, wist u eind 2012 dat er jongeren naar Syrië vertrokken – eerder dan anderen. Heeft u nooit de inlichtingendienst of politie gewaarschuwd?

„Nee. Dat is niet mijn taak. Ik hoorde het trouwens altijd pas als ze er waren.”

Waarom deelde u die informatie niet?

„Omdat ik niet weet wat er dan gebeurt. Als ik een Syriëstrijder zou aangeven, worden misschien zijn kinderen wel uit huis gehaald. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben. Hoogstens zou ik een jongerenwerker of imam kunnen vragen om te bemiddelen.”

Kunnen uw onderzoeksobjecten u nog verbazen?

„Ik was een keer bij een lezing. De retoriek over ongelovigen die ik daar hoorde was, hoe zal ik het zeggen, erg denigrerend. Dat raakt me soms. Je hebt heel interessante gesprekken met ze en het moment erna wordt er zo zwart-wit gesproken over ongelovigen. Het voelt eerder bevreemdend dan schokkend. Want na die lezing komen al die jongens naar me toe: ‘Zit je wel lekker?’ En dan gaan we gezellig een kapsalon eten.”