Column

Heel erg

S. Montag

Ieder jaar doet het Instituut voor Nederlandse Lexicologie een onderzoek naar het irritantste woord. Aan welk woord hebben we ons in 2015 het meest geërgerd? Dat blijkt ‘me’ te zijn, in de betekenis van bezittelijk voornaamwoord. Spreek uit: muh. Van de 25.000 ondervraagden werd dertig procent boos als ze die verbastering hoorden. Het verbaast me.

Ik geef het toe: het is geen zuiver Nederlands, maar het is wel gebruikelijk. Voor de oorlog woonde ik in Rotterdam aan de grens van een arme buurt waar ik ook vriendjes had. Als een jongen daar iets totaal verwerpelijk vond zei hij: „Me reet”. Later hoorde ik het liedje ‘De schoorsteenveger’ van Leo van Helmond: „Hup zei me simmetje, daar gaat-ie weer, door de schoorsteen op en neer.” Via Google is te horen hoe het klinkt als het wordt gezongen.

Vorig jaar stond ‘oudje’ op de lijst van weerzinwekkende woorden. Dat kan ik me voorstellen. Er zit iets neerbuigends in. Een oudje is een rimpelige sukkel die niet meer weet welke dag het vandaag is en die bij voorbaat luid wordt toegesproken omdat hij misschien doof is. Maar ook wie volgens de geldende maatstaven oud is, te beginnen bij een jaar of zestig, kan zich jong voelen, en als hij dat zo voelt is hij het ook. ‘Oudje’ is een belediging, altijd.

Mijn meest weerzinwekkende woord is ‘toch?’ Letters met vraagteken. Gisteren regende het maar vandaag hebben we weer een zonnetje. Toch? Dat we het hemellichaam dat de aarde bewoonbaar maakt heel vaak in verkleinende vorm noemen is al eigenaardig. Dat is al jaren geleden door W.F. Hermans vastgesteld. En dan wordt aan zo’n waarheid als een koe nog dat ‘toch?’ toegevoegd, vaak gevolgd door die eigentijdse vreugdeloze lach, het èh-èh-èh-èh. ‘Toch?’ is vragen naar een overbodige bevestiging. Als het op de televisie gaat gebeuren voel je het aankomen. Gruwelijk. Maar niets aan te doen.

De taal verandert, dat is een natuurverschijnsel. Maar binnen dat verband is het de vraag welke kant het op gaat. Steeds meer Engelse woorden, daar valt kennelijk niets meer aan te doen. Ik heb een meelpel met wie ik via de mail de meest recente vondsten uitwissel. Hij kwam onlangs met Deheek biets, waarmee het strand van Scheveningen wordt bedoeld. Ik had juist door de radio gehoord dat je nu ook impèkt boesters kunt kopen. Impèkt is intussen al vast geworteld in de moedertaal. Als er een vliegtuig is neergestort is het gekresjt. Kunstenaars krijgen niet meer een prijs maar een uhword. Sluit je een overeenkomst dan is dat een diel. Straks gaan we elkaar weer een merriekristmus wensen en daarna oldebest voor het njoejier.

Tot de treurigste nieuwigheden horen voor mij dat soort zinloze tussenwerpsels, door de taalkundige en ontdekker van het Poldernederlands Jan Stroop ‘wauwelwoorden’ genoemd. ‘Zeg maar’. Daarmee wordt niets aan het gesprokene toegevoegd en toch zijn die twee woorden in de conversatie onmisbaar geworden. Op de televisie legde een minister zijn moeilijke probleem uit. Drie keer ‘zeg maar’. De dag daarop reed ik in een taxi naar het station en raakte in gesprek met de chauffeur. Vijf keer ‘zeg maar’.

Letterlijk genomen zou de gebruiker met ‘zeg maar’ willen verklaren dat hij zich ervan bewust was, niet nauwkeurig te zijn maar dat hij zijn grens had bereikt. In de praktijk betekent ‘zeg maar’ niets. Het is flauwekul.

In muziekprogramma’s gebruiken sommige omroepers, of presentators, een verwante uitdrukking: ‘Ik zei het al’. Denken ze dat wij dat vergeten zijn?

Nog één moderne hebbelijkheid. Iets gewoon mooi vinden is verleden tijd. In de radio en op de televisie is het op z’n minst héél mooi, of heel erg mooi of ontzettend mooi. Het bijvoeglijke naamwoord zonder versterking is aan het verdwijnen. Ook dat is heel erg opmerkelijk.