Column

Europese leiders moeten voorbeeld nemen aan bondskanselier Merkel

Het Amerikaanse weekblad Time riep deze week de Duitse bondskanselier Angela Merkel uit tot ‘persoon van het jaar’. Door meer van haar land te vragen dan de meeste politici zouden durven, door niet voor de makkelijke weg te kiezen, door moreel leiderschap te tonen, heeft zij volgens het blad deze titel verdiend.

In Time’s beoordeling worden Merkels capaciteiten geplaatst in een jaar waarin het bestaansrecht van de Europese Unie meer dan eens ter discussie kwam te staan. Het had te maken met de Griekse schuldencrisis, de vluchtelingencrisis, de terrorismedreiging en het herleven van spanningen met Rusland. In al deze kwesties speelde Merkel een centrale, positieve rol, aldus Time.

Dat de Unie zich van crisis naar crisis voortbeweegt, is geen nieuw gegeven. Integendeel, het zijn juist de crises die de Unie haar vorm geven. De verstoringen die het kenmerk zijn van een crisis tonen aan dat nationale oplossingen niet meer toereikend zijn.

Zo kreeg eind vorige eeuw de totstandkoming van de interne markt een beslissende impuls door de economische crisis uit de jaren tachtig. De zeven jaar geleden nog door velen voor onmogelijk geachte Europese bankenunie was een gevolg van de eurocrisis. En nu is er dan eindelijk de gezamenlijke Europese migratiepolitiek met voor lidstaten bindende quota. Nog verre van volmaakt, maar ook voor dit thema geldt dat de Europese landen hardhandig werden geconfronteerd met het besef het niet meer alleen aan te kunnen.

Samen moet, maar willen we nog samen? En, belangrijker: kunnen we nog samen? Deze zorg klinkt ook door in het deze week verschenen pamflet Broederschap, van de hand van de Nederlandse Europees commissaris Frans Timmermans. Het is een bij vlagen haast emotionele oproep aan ‘de elite’ zich meer vóór Europa uit te spreken. „Europa zit dringend verlegen om een meer collectief bewustzijn over wat we delen en wat ons verdeelt, over waar we vandaan komen, over welke gezamenlijke lotsbestemming wij hebben”, aldus Timmermans. Het zou volgens hem „wenselijk” zijn als „nationale politieke arena’s een grote politieke verantwoordelijkheid zouden voelen voor het verdedigen van het gezamenlijke Europese in plaats van zich altijd vooral tegen het Europese niveau af te zetten”.

Nu wordt deze klacht vaker geuit. Vooral ook vanuit Brussel. Maar de atmosfeer is dit keer dreigender. Niet voor niets heeft Timmermans het over „a perfect storm”. In Amsterdam, waar hij vorige maand in een lezing een voorproef gaf van zijn boekje, zei hij voor het eerst in zijn leven te denken dat de Europese Unie weleens zou kunnen stranden.

Dit klonk misschien wel erg fatalistisch, maar een feit is dat steeds vaker stemmen opgaan dat de grenzen van de integratie zijn bereikt en dat er sprake zou kunnen zijn van een omgekeerde beweging. Pleidooien voor een ‘mini-Schengen’ – onlangs niet uitgesloten door Eurogroepvoorzitter Jeroen Dijsselbloem – gaan die richting uit. Het wordt weliswaar genoemd als noodscenario, maar er gaat een gevaarlijke eigen dynamiek vanuit.

De nauwere Europese samenwerking is geen vanzelfsprekendheid meer. Zes landen, waaronder Nederland, sloegen in de jaren vijftig van de vorige eeuw de handen voorzichtig ineen als antwoord op de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. Niet de geringste politici zeggen tegenwoordig dat de ‘nooit-meer-oorlog-gedachte’ niet meer leidend kan zijn bij het idee achter de Europese Unie.

Maar dat zou juist wel moeten. De Tweede Wereldoorlog liet zien waar nationalisme in zijn uiterste vorm toe kon leiden. Nationalisme is dan ook niet het antwoord. Dit is de drijfveer achter het handelen van bondskanselier Merkel. Anderen kunnen een voorbeeld aan haar nemen. Zoals Mark Rutte, de premier van het land dat op 1 januari het voorzitterschap van de Europese Unie op zich neemt.