Ueli Steck: ‘Doodsangst verlies je nooit’

Ueli Steck is topklimmer. „Kan ik sneller? Hoger? Hoe train ik dat?” Hij beklom twee ‘achtduizenders’ in een week. „Wat ik doe, is totaal nutteloos.”

Foto Jonathan Griffith / Getty Images

Voor een land zonder bergen heeft Nederland verrassend veel bergsporters. Zestigduizend leden heeft de bergsportvereniging NKBV, en een flink aantal van hen is erbij, zondagochtend vroeg in de Jaarbeurs in Utrecht, om de ‘Bergkoning’ in levenden lijve te zien. Ueli Steck, 39 jaar. Bijnaam: de Zwitserse Machine. Hij beklimt de allerhoogste bergen, supersnel en solo. En dat doet hij zonder gordels, zonder touwen en zonder extra zuurstof. Afgelopen november stond hij bovenop de Zwitserse Eiger in 2 uur en 22 minuten. Doorgewinterde alpinisten, zegt hij, doen daar twee dágen over. Minstens.

De Zwitserse Machine ziet er van een afstandje tamelijk onopvallend uit. Klein, pezig. Maar van dichtbij zie je die ogen; helder ijsblauw. En die handen… Hij bekijkt ze alsof hij ze voor het eerst ziet. „Mijn vader heeft ook van die grote.” Zachtjes wrijft hij over zijn gehavende knokkels. Aan deze twee blote handen hangt hij zijn leven. Zijn vingers zijn als weerhaken, hij vouwt ze in bergspleten en om rotspunten, en hijst zich eraan omhoog. Op gladde of ijzige stukken berg gebruikt hij pickels, ijsbijlen. In elke hand één. Zijn voeten in puntige stijgijzers. Hand voor hand, voet voor voet klautert hij naar boven. Als Spiderman. Bekijk maar eens een filmpje van hem op internet. De beklimming van de noordwand van de Eiger is gefilmd met een drone. Je ziet een grijsblauwe, besneeuwde hoogvlakte en een heel klein zwart stipje dat gestaag omhoog kruipt. Als een torretje op een suikerberg.

Ueli Steck is één dag in Nederland om twee lezingen te houden op de Bergsportdag Winter. Zo verdient hij zijn geld, met optredens. In Londen, Madrid, Genève, en ongeveer alle steden in Zwitserland en Duitsland. „Op mijn dertigste moest ik kiezen: werken of geld verdienen met klimmen.” Zijn vader hoopte dat hij kopersmid zou worden, net als hij. Ueli Steck werd timmerman, maar wilde liever klimmen. En om daarvan te kunnen leven, zegt hij, moest hij een merk worden. „Een merk dat steeds met verrassende challenges komt, dat nieuwe records vestigt.” Zo ‘deed’ hij deze zomer in 62 dagen alle 4.000-metertoppen van de Alpen (dat zijn er 82). Geen lift kwam eraan te pas. Hij daalde rennend of parapentend af, en om van de ene naar de andere berg te komen, pakte hij de racefiets.

Hij leeft nu om te kunnen klimmen. Maar noem hem geen alpinist. Hij is „een atleet”. En dat houdt in dat hij de lunchtijd tussen zijn twee lezingen liever benut om te trainen. Maakt niet uit wat er voor hem verzonnen wordt – anderhalf uur in een sportschool, of een rondje rennen in Utrecht. „Als ik maar kan sporten.” En nee, dat is niet overdreven, zegt hij. We zitten aan een lege tafel, in een lege zaal. Zijn sporttas onder zijn stoel, voor straks. „Ik volg een heel precies trainingsschema.” Hij moet werken aan uithoudingsvermogen, kracht, snelheid. Dus hij moet? „Ja. En ik wil. Ik wil mijn lichaam voelen. Mijn spieren, mijn benen die moe worden. Dan voel ik me beter.” Hij is nu op het perfecte gewicht, zegt hij: 68 kilo. Bij 1.75 meter is dat te zwaar om een marathon te winnen, „dan zou er nog zeven kilo af moeten”. Maar hij heeft nu nét genoeg spek op de botten om de ijzige kou op 8.000 meter hoogte te weerstaan. Voorzichtig werp ik op dat hij, zeker voor een atleet, opvallende… O-benen heeft. Hij lacht. Hij ondervindt er geen nadelen van, zegt hij. Ook geen voordelen trouwens.

In de spaarstand

Vooruit, hij wil wel een banaantje. Wat water, koffie met een beetje melk. Hij functioneert prima op de spaarstand, zegt hij. Ook bij het klimmen neemt hij nauwelijks eten mee. „Alleen maar extra ballast.” Een paar energierepen, een liter water, één of twee paar extra schoenen en als hij verwacht dat het weleens een lange, koude tocht kan worden een kacheltje van nog geen 400 gram. Geen slaapzak of tent, want ook slapen stelt hij zo lang mogelijk uit. Zoals toen hij de zuidwand van de Annapurna beklom, in de Nepalese Himalaya. 28 uur onafgebroken ploeteren naar 8.000 meter hoogte. In het donker.

Hij klimt sinds zijn twaalfde. Een vriend van zijn vader nam hem mee de Eiger op. Daarna zou hij die berg alleen bestijgen, toen heel snel én alleen, en daarna zo krankzinnig snel dat hij wel alleen moest. Niemand die hem kan bijhouden. Nee, zegt hij, zijn ouders zijn geen klimmers. „Ze hiken.” Zijn twee oudere broers en hij moesten elk weekend mee. Hij trekt er een vies gezicht bij. Hiken, oftewel bergwandelen, is voor Zwitserse pubers zoiets als een NS-wandelroute op zondagmiddag. „Saai.” Tot zijn achttiende ijshockeyde hij, net als zijn broers, op hoog niveau. „Ik ben alpinisme ook als topsport gaan benaderen. Kan ik sneller? Hoger? En hoe train ik dat? Als je een marathon wilt lopen, koop je een boek, en daarin staat precies hoe je je lichaam in gereedheid brengt. Voor alpinisten bestaan geen boeken.” Zijn routine bestaat uit veel hardlopen, cardio- en krachttraining. „Ik weet precies waarom mijn lichaam bestand is tegen enorme hoogtes en weinig zuurstof.” Op 8.000 meter hoogte is het 48 graden kouder dan op zeeniveau, zit er nog maar maar 37 procent zuurstof in de lucht, wordt het bloed dikker. Maar details over waarom hij kan wat hij kan, die geeft hij niet. „Als ik dat prijsgeef, voelt het alsof ik in mijn nakie loop.”

Archieffoto uit 2015. AP

Geen avonturier

Elk jaar overlijden er rond de 300 mensen in de Alpen. Bij slecht weer zijn het er minder, de meeste klimmers blijven dan beneden. Nou gebeuren niet alle dodelijke ongelukken bij het klimmen (meegeteld zijn ook de ongevallen bij het skiën, rodelen en wandelen), maar toch. Alleen al onder de 60.000 Nederlandse NKBV- leden vallen er elk jaar drie à vier klim- of bergsportdoden. En toch zegt Ueli Steck: „Ik ben geen avonturier.” Hoe kan dat? Hij heeft mensen zien sterven. Twee medeklimmers in de Himalaya, net als hij bezig twee ‘achtduizenders’ in één week te doen. Een paar stappen naar links, en hij had die lawine ook over zich heen gekregen. Hij knikt. „Toen wist ik dat ik de grens had bereikt. Mijn grens.” Nog hoger, sneller, meer en verder zou hij niet overleven.

Vandaar die 82-toppenexpeditie deze zomer. In de Alpen, zijn natuurlijke biotoop. Hij wilde „terug naar de basis”. Weer „plezier in het klimmen krijgen”. Voor hem was het meer een excursie dan een expeditie, „een pauze” in plaats van weer een heldendaad. Niks extreems, geen risico’s. Hij zou samen klimmen met Michi Wohlleben, een Duitse klimmer van 24. Maar die moest halverwege afhaken, hij had een blessure aan zijn heup. Daarna trok Steck op met zijn broer (op de racefiets), beklom een top met zijn echtgenote, bevriende klimmers gingen een dagje mee. Op 22 juli werd hij vergezeld door de Nederlandse topalpinist Martijn Seuren, net als hij bezig de 82 Alpentoppen te verzamelen. Op bergtop nummer 73 gleed Martijn Seuren uit. Vanaf 3.900 meter viel hij 300 meter naar beneden, in een gletsjerspleet. Ueli Steck onderbrak zijn tocht voor de uitvaart in Nederland.

Dus hoezo geen avonturier? Hij zegt: „Ik onderneem niets wat ik niet kan controleren.” Dat lijkt me stug, zeg ik. Losse rotsenstukken, lawines, wind. Kan hij soms de natuur bedwingen? „Ik ben tot in de kleinste details voorbereid. Het weer laat zich 24 uur vooruit voorspellen. Ik ken de routes uit mijn hoofd, ik weet waar ik grip heb en waar niet. Zelfs het onverwachte controleer ik. Voortdurend bedenken mijn hersenen wat-als-scenario’s. Wat als ik een bijl verlies, wat als mijn voet uitglijdt, wat als de sneeuw begint te schuiven, wat als ik misgrijp?” Dan wat? „Dan handel ik. Zonder eerst te denken.” Hij is een controlfreak, zegt hij. „In het dagelijks leven ben ik extreem inflexibel. Ook op de grond wil ik van tevoren precies weten hoe het leven loopt.” En zelf bepalen hoe het afloopt? „Doodsangst verdwijnt nooit. Verlies je die angst, dan verlies je je leven zeker.”

Totaal nutteloos

De vraag is: waarom? Waarom verzamelt hij bergtoppen? Waarom wil hij sneller en hoger? Zijn antwoord is onverwacht: „Wat ik doe, is totaal nutteloos.” Net als het leven zelf, vult hij aan. Maar juist door het klimmen, leeft hij „levendiger”. „Ons bestaan is totaal risicoloos geworden. Alles wat je nodig hebt om jezelf in leven te houden, is er in ruime mate. Er zijn geen problemen meer, en alle problemen die er zijn, creëren we zelf.” In de bergen, met nauwelijks proviand en minimale middelen, moet hij het zien te redden. „Daar wordt het leven heel duidelijk van.” En wat als hij niet in de bergen is? „Uiteindelijk gaat het, daarboven en beneden, om balans. Ik kan, net als mijn medepassagiers, uit mijn dak gaan omdat het vliegtuig aan de grond blijft staan en we vier uur in een te kleine stoel moeten wachten. Maar ik dwing mezelf rustig te blijven.” Hij doet voor hoe hij ooit aan een verticale rotswand geplakt zat. Hangend aan twee ijsbijlen, balancerend op de ijzeren punten onder zijn schoenen. „De sneeuw stortte over me heen. Ik zag niks. Mijn camera was al naar beneden gevallen.” Hij wacht even tot het beeld me haarscherp voor ogen staat. „Dat is pas wachten.”