Column

Die ene onderzoeker achter alle Commissies van Wijze Mannen

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Bert Kreemers, de onderzoeker van de Teevendeal. Ofwel: de man achter vrijwel alle Commissies van Wijze Mannen.

Tekst Tom-Jan Meeus Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Bij de presentatie van het rapport over de Teevendeal, woensdag, dacht ik even: je kunt wel doen alsof alles in Den Haag verandert – maar er is ook nogal veel dat helemaal nooit verandert.

Marten Oosting, de oud-Ombudsman, lichtte de bevindingen van zijn commissie onberispelijk toe. Oosting is een van de nieuwe Wijze Mannen van de natie. Je hebt ook oud-bestuurder Wim Deetman. Oud-topambtenaar Rein Jan Hoekstra. Oud-magistraat Egbert Myjer. Oud-topambtenaar Hans Borstlap. Namen die vallen zodra autoriteiten onderzoek naar een misstand gelasten.

Het is interessanter: de commissies die deze Wijze Mannen de laatste jaren leidden (seksueel misbruik en de katholieke kerk; nationalisatie SNS Reaal; misstanden NZa; de zaak-Ramesar bij Trouw; het OM en de moordverdachte van Els Borst; de Teevendeal) hadden allemaal dezelfde secretaris annex onderzoeksleider: Bert Kreemers.

Met hem, de man achter alle Wijze Mannen, wilde ik graag doorpraten. Hij aarzelde. Uiteindelijk mocht ik donderdagmorgen langskomen, de dag na de rapportpresentatie. Stekeltjeshaar, wallen en een goedmoedig buikje: voldaan na een diepe inspanning. De ochtendkranten lagen op tafel. „Ik geloof dat we weer wat energie aan het debat hebben gegeven”, zei hij, met een kort knikje.

Hij bleek iemand met een talent dat je steeds minder in Den Haag aantreft: een man die elk vraagstuk, elke keuze, van alle kanten wil bestuderen. Empathie en diepgang. Kijken voorbij de beeldvorming: daarna blijven kijken.

Je hebt twee soorten commissies, legde hij me uit. Ledencommissie waarbij elk lid een hoofdstuk schrijft en de secretaris de koffie en thee verzorgt. En commissies die archiefonderzoek, voorbereidingen van verhoren en schrijfwerk aan de secretaris en diens medewerkers overlaten. De laatste variant heeft zijn voorkeur, vertelde Bert Kreemers - met hemzelf als secretaris.

Hij ontwikkelde, zei hij, in zijn ambtelijke loopbaan een voorkeur voor werken in andermans dienst. Vanaf 1980 was hij jarenlang bij de Directie Algemene Beleidszaken (‘de rampendienst’) van Defensie. Hij leerde er hoe topambtenaren met bewindslieden omgaan.

De toenmalige secreteraris-generaal liet elke avond een auto naar Hans van Mierlo rijden zodat de minister (1981-82) even tekende voor de besluiten die hij die dag had genomen. „Anders wilde hij het de volgende dag anders.”

Als piepjonge PvdA-fractiemedewerker (1977-1980) leerde hij eerder hoe zwak de ondersteuning van Kamerleden is. Dus ook waarmee je Kamerleden, tot op de dag van vandaag, op de kast krijgt. „Ik kan me héél goed voorstellen’', zei hij, „dat ze in de Kamer laaiend zijn dat ze het verslag van Roes niet kregen.''

Het ‘verslag van Roes’ werd deze week een begrip: het stuk waarin Fred Teeven voorjaar 2014 financiële details over de Teevendeal aan topambtenaar Gerard Roes gaf; details die afweken van wat Opstelten eerder in de Kamer zei.

Premier Rutte weigerde het stuk dit voorjaar te verstrekken omdat het „een persoonlijke notitie” van de topambtenaar zou zijn. Oosting sprak dit woensdag tegen. ,,De paraaf van Teeven staat eronder’’, zei Kreemers.

Ook bleek dat Kamervoorzitter Van Miltenburg een klokkenluiderbrief over de deal vernietigde kort nadat de commissie haar werk begon. „Ze had ons toch even kunnen bellen?” Veel wijst erop dat Van Miltenburg volgende week kan struikelen. „Ik ga niet over de gevolgen van het onderzoek”, zei hij. In Den Haag kijken mensen erg naar „het einde van de kettingreactie”, dacht Kreemers. „Je kunt beter naar het begin kijken.”

En dan: over rollende koppen hoefde je hem niets te vertellen – de zijne had die behandeling ook gehad. Als Defensiewoordvoerder na het Srebrenica-drama merkte hij gaandeweg dat de landmachtleiding zaken achterhield. Toen hij van een nieuw incident vernam, alarmeerde hij de minister, Joris Voorhoeve. De landmacht was niet blij. Na het vertrek van Voorhoeve nam de landmachtleiding wraak. „Ik zou een paniekzaaier zijn geweest.” Minister Frank de Grave moest kiezen tussen de landmachtleiding en hem, zei hij. „Ik werd geslachtofferd.”

Hij nam het advies van collega’s ter harte – ‘rechtop blijven lopen’ – en ging naar Clingendael, waar hij zijn liefde voor onderzoek en schrijven hervond. Vier jaar later stelde het Niod hem in het gelijk. Op de dag van de val van Kok II, in 2002, kreeg zijn boek over de zaak een storm van publiciteit. Martin Bril schreef een column over hem in de Volkskrant die nu nog boven zijn bureau hangt. „Ik was rechtop blijven lopen.”

Hij keerde terug op Defensie, werd onderzoeksdirecteur, en werkte met de beste minister die hij meemaakte: Henk Kamp (2002-07). Van Relus ter Beek, PvdA-minister van Defensie (1989-94), waardeerde hij de warmte en het politieke gevoel. Voor Kamp, op Defensie in 2002-07, had hij bewondering.

Als Kreemers evaluatieonderzoek deed dat bevelhebbers niet zinde opende Kamp de vergadering met: „Uitstekend onderzoek, Bert. Iemand vragen?” En als Kamp voorvoelde dat militaire leiders nieuw beleid niet wilden uitvoeren, liet hij een foto van hem met de militairen maken. Stokte de uitvoering, dan hing hij de foto op en liet hij de leiders één voor één langskomen: „Weet je nog wat we toen besloten?”

Na een uitstapje naar de Rekenkamer van Zuid-Limburg wachtte Bert Kreemers het Wijze Mannen-circuit. Alle onderzoeken die hij deed - in de overheid, journalistiek, toezichthouders – doordrongen hem, zei hij, van één ding: Hollandse organisaties hebben een chronisch gebrek aan interne tegenspraak.

Hij noemde de journalist van Trouw die allang doorhad dat Perdiep Ramesar zaken verzon – maar zweeg uit angst voor verbreking van zijn contract. Hij wees op de klokkenluider in de NZa die werd vermorzeld. Consensuscultuur als sta-in-de-weg. Als de Wijze Mannen langs zijn geweest organiseren ze even tegenspraak, daarna herstelt de oude orde zich. „Dan is de kritische medewerker weer een zeur.”

Toevallig betroffen zijn twee laatste onderzoeken – de moordverdachte op Borst en de Teevendeal – het Openbaar Ministerie. „Ik dacht altijd dat dit een solide organisatie was.”

Vooral „het gebrek aan bewustzijn van de omgeving” viel hem op. Een advocaat-generaal die een wijkagent instrueert een vuurwapengevaarlijke verdachte op te pakken maar vergeet zijn naam te vermelden - zodat de agent niet weet wie hij kan bellen. „Heel bijzonder.”

Sowieso stimuleren ambtelijke diensten risicomijdend gedrag. In detail vertelde hij hoe hij ooit in een half uurtje een beklemmend probleem inzake een doofpotaffaire op Defensie moest oplossen.

Het slachtoffer en de media waren lovend, maar de volgende dag moest hij op het matje komen bij de secretaris-generaal: „Ik had geen paraaf van de juristen gevraagd!” Niet aan gedacht, geen tijd ook, en gelukkig maar, zei Kreemers. „Dan was het nu nog niet opgelost geweest.”

Ik zei hem dat precies dit mijn enige kritiek op het rapport-Oosting was. Achteraf was die Teevendeal vast onvolmaakt. Maar Teeven had in 1998 wel de moed een dossier op te pakken dat collega's drie jaar niet aandurfden.

Ik zei: deed OM’er Teeven niet precies wat Defensieambtenaar Kreemers deed?

„Ik snap je punt”, zei hij, „daar zit wat in. Maar wel op verzoek en onder verantwoordelijkheid van de minister.”

Het probleem was volgens hem ook niet Teeven. Het probleem was het college van procureurs-generaal in 2000. Een van de PG’s kreeg telefonisch verzoek voor toestemming. Hij meldde het in de rondvraag, het college ging akkoord. „Later stuurde de collegevoorzitter een brief: we stemmen in maar weten eigenlijk te weinig. Kan niet natuurlijk.”

Het probleem van het openbaar bestuur, en zeker het Openbaar Ministerie, in een notendop. Te veel ogenschijnlijk wijze mensen die het aan moed ontbreekt, waardoor individuen alle risico’s op zich nemen.

En Commissies van Wijze Mannen later de schade mogen herstellen.