De gêne van de gouden generatie

Over hun vermogen praten mensen niet graag – en mensen die een flinke erfenis kregen, nog minder. Julia Friedrichs schreef een boek over de ‘gouden generatie’. „Niemand geeft graag toe dat hij geen selfmade mens is.”

Illustratie ZF&M

Toen Julia Friedrichs rond de dertig was, ontdekte ze dat de samenleving waarin ze was opgegroeid wat minder egalitair was dan ze had gedacht. Op school had iedereen met iedereen gespeeld. Op de universiteit gingen alle studenten naar dezelfde cafés. Ze droegen dezelfde jeans en sneakers. Zij en haar vrienden woonden in kleine studentenkamers en hadden hetzelfde karige studentenbudget. Friedrichs, geboren in 1979, ging ervan uit dat je salaris bepalend is voor hoe je leeft.

Maar nee. Sommige vrienden verhuisden, toen ze kinderen kregen, van die krappe studentenbehuizing rechtstreeks naar ruime, gerenoveerde stadspanden van een half miljoen euro. Of ze hadden ineens een zomerhuis in Zwitserland. Waar deden ze het van? Friedrichs, freelancejournalist uit een doorsnee-Duits gezin (ze werkt voor Die Zeit en de omroep WDR), herinnert zich dat ze met een studievriend in Dortmund aan de keukentafel zat en dat ze zich afvroegen: wat hebben deze mensen wat wij niet hebben? Er zaten kunstenaars bij, bij wie het geen vetpot was. Ze ontdekten het al snel: deze vrienden kregen geld van hun ouders. „We realiseerden ons dat wij met onze modale salarissen zelfs met zuinig leven en lang sparen nooit dit soort huizen zouden kunnen kopen”, vertelt ze in Wenen tijdens een lezing over haar boek Wir Erben (Wij Erven). „Oftewel, het onderscheid in de maatschappij is steeds minder, zoals in de tijd van onze ouders, hoeveel je verdient. Het onderscheid wordt steeds meer: erf je, of niet?”

Friedrichs boek bestaat grotendeels uit interviews met erfgenamen. Sommigen kregen oud geld dat al generaties in de familie wordt doorgegeven. Anderen namen een familiebedrijf over. Maar de meesten zijn telgen van doodgewone babyboomers die hebben geprofiteerd van het naoorlogse Wirtschaftswunder. Iedereen had werk, lonen stegen continu, de rente was hoog. Als je een beetje zuinig leefde, had je aan het eind van de rit een flinke duit voor de kinderen.

Gouden generatie

Die kinderen, dat is de generatie van Friedrichs. Hun wereld is anders: lagere economische groei, loonmatiging, lage rente. Zij, en andere West-Europeanen, zijn er de afgelopen twintig jaar in koopkracht niet op vooruitgegaan. Bij velen kan dit alleen door een erfenis. „Voor de tweede keer in de geschiedenis spreken sociologen van een maatschappij van erfgenamen”, zegt Friedrichs. „De eerste keer was vlak voor de Eerste Wereldoorlog. Nu, honderd jaar later, is er een nieuwe gouden generatie erfgenamen.”

Statistieken verschillen van land tot land. Maar in veel landen worden erfenissen nauwelijks belast en ontbreekt goed overzicht over hoeveel er jaarlijks wordt geërfd. Voor Duitsland komt Friedrichs uit op 250 miljard euro per jaar. Slechts 2 procent daarvan wordt belast. In de jaren 70 was het privévermogen van de Duitsers tweemaal het bnp, nu viermaal. In Nederland zijn diverse cijfers en schattingen in omloop. Volgens het Centraal Planbureau (CPB) werd er in 2011 bijna 14 miljard aan vermogen ‘nagelaten’; velen zeggen dat dit officieus meer is. Volgens een rapport van de Europese Centrale Bank van twee economen van de Oostenrijkse centrale bank, dat in september verscheen, groeit in de eurozone de ongelijkheid tussen burgers die erven en zij die niet erven gestaag. Veel politieke partijen zijn huiverig om daar iets aan te doen: zij zien familie als hoeksteen van de samenleving en willen dat zo houden.

Ongemakkelijk onderwerp

Het eigenlijke thema van ‘Wir Erben’ is deze groeiende ongelijkheid – de verdeling is volgens Friedrichs ongeveer fifty-fifty. Ze citeert meermalen de Franse econoom Thomas Piketty, die vorig jaar met zijn boek Kapitaal in de 21ste eeuw de groeiende ongelijkheid in de westerse samenlevingen in kaart bracht. Mensen die erop vooruitgaan zijn degenen met vermogen, stelt Piketty. Anderen teren in. Vermogen groeit namelijk 4 à 5 procent per jaar, terwijl de economie maar 1 tot 2 groeit. Zo worden rijken rijker en armen armer. „Europa debatteert over de hoge schulden die we onze kinderen nalaten”, zei Piketty laatst. „Maar in werkelijkheid laten we ze meer vermogen na dan vorige generaties.”

Ongelijkheid is in West-Europa een ongemakkelijk onderwerp. Net als Friedrichs zijn veel Europeanen opgegroeid met het idee dat de samenleving hier rechtvaardiger, democratischer, gelijker is dan elders. Dat banken gered worden terwijl er in de verzorgingsstaat gesneden wordt, dat grote bedrijven soms weinig belasting betalen, past moeilijk in dat beeld.

Tegen deze achtergrond deed Friedrichs haar interviews. Veel erfgenamen wilden niet praten, anderen alleen na lang aanhouden of onder pseudoniem. De meesten vinden het problematisch dat ze geld hebben geërfd. „Mensen praten makkelijker over een gebroken huwelijk of problemen op hun werk dan over het geld van hun ouders”, constateert ze. „Niemand geeft graag toe dat hij geen selfmade mens is.”

Neem Beate, een veertiger uit een doodgewoon middenklassegezin, die in het boek wordt opgevoerd. Zij erfde twintig jaar geleden 400.000 euro. Ze zette het geld op een rekening en raakt het niet aan omdat ze zich ervoor schaamt. Het bedrag is nu verdubbeld. Ze woont met man en kinderen in een krap huurhuis, maar weigert een ruimer huis te kopen. Een ander, de componist Lars, gebruikt het wel – maar voelt zich constant bezwaard. Zijn vrouw is muzieklerares. Ze wonen, dankzij zijn vader, met drie kinderen in een ruim appartement in een upmarket wijk in Berlijn. Zelfs de nouveaux riches die Friedrichs aan de praat heeft gekregen, hebben een ongemakkelijke relatie met hun erfenis.

Ze sprak ook mensen die eindeloze rechtszaken met familie voeren en advocaten die bevestigen dat ze steeds meer erfrechtzaken krijgen. Ze ging op stap met ‘beheerders’ die nalatenschappen van eenzaam gestorvenen doorzoeken en sprak de eigenaar van een drogistenketen die zijn vijf kinderen niets laat erven omdat het hen „verpest”. Mensen die ongegeneerd tevreden zijn met een erfenis, moet je in dit boek met een lampje zoeken.

Piketty wil de sociale ongelijkheid verminderen door vermogens, en erfenissen, zwaarder te belasten. Een realistische optie, denkt hij. In haar laatste hoofdstuk vraagt Friedrichs Duitse parlementariërs of ze zich hiervoor willen inzetten. Het antwoord is nee. Zelfs Groenen en sociaal-democraten vrezen paniek bij de kiezers. „Teleurgesteld verliet ik het parlement. Vergeet het maar, Piketty.”