De ambitie: anderhalve graad

De ambitie is groot in Parijs. Maar over luchtvaart en scheepvaart worden geen afspraken gemaakt.

Gele verf, door Greenpeace aangebracht rond de Arc de Triomphe in Parijs, om aandacht op zonne-energie te vestigen. REUTERS

Vrijdagmiddag kondigde Brazilië op de klimaattop in Parijs aan dat het zich aansluit bij de ‘coalitie voor een hoge ambitie’. Een dag eerder deden de Verenigde Staten hetzelfde. De groep, die is ontstaan rondom de Europese Unie en een groot aantal landen die kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering, is daarmee gegroeid tot ongeveer honderd. Net iets meer dan de helft van alle aanwezige landen.

Het is een indicatie dat het akkoord dat hier dit weekeinde moet worden gesloten stevig zal zijn. „Veelbelovend”, zei Lord Nicholas Stern, auteur van een standaardwerk over klimaat en economie, mogelijk „een keerpunt”. Maar net als vele anderen waarschuwde hij dat het „pas klaar is als het klaar is”.

Uiteindelijk is consensus nodig. Alle 196 deelnemende landen moeten met de tekst instemmen, vandaar dat het in de laatste fase zo lang duurt. „Ministers moeten met iets thuis komen. Ze willen laten zien dat ze zaken hebben binnengehaald die voor hun land belangrijk zijn”, aldus Michael Jacobs, adviseur van het New Climate Economy project.

Voor je het weet ontstaat er een uitruil waarbij de scherpe kantjes uit het akkoord verdwijnen. Wat zijn nu nog de struikelblokken? Voor wie zijn ze belangrijk?

1. Anderhalve graad. Het wordt door velen gezien als een teken van grote ambitie dat in het akkoord niet meer twee graden opwarming als uiterste grens wordt genoemd, maar ‘zoveel mogelijk onder de twee graden’ en het liefst niet meer dan 1,5 graad. Het is een overwinning voor de kleine eilandstaatjes, die bij een te grote temperatuurstijging dreigen onder een stijgende zeespiegel te verdwijnen. Met steun van Europa, dat daarmee landen aan zijn zijde kreeg voor andere zaken, staat het nog in het akkoord. Opkomende ontwikkelingslanden, bang voor te grote ambities, zien die 1,5 graden liever verdwijnen.

2. Emissiereductie. Die 1,5 gradengrens stelt weinig voor als met het afgesproken beleid om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen zelfs de 2 graden niet wordt gehaald. Arme ontwikkelingslanden en opkomende economieën als China en India willen dat de EU en de andere geïndustrialiseerde landen ‘leveren’. Zij moeten hun doelstellingen fors opschroeven.

3. Differentiatie. Europa is bereid dat te overwegen, maar alleen als de opkomende economieën hun deel van de verantwoordelijkheid nemen. Zonder China, India, Brazilië en Zuid-Afrika zal het niet lukken. Maar deze landen willen zich niet vastleggen op strenge doelstellingen. Ze vinden dat de rijke landen rijk zijn geworden dankzij hun ongebreidelde vervuiling en dat ze zelf een snelle groei van hun economie nodig hebben om hun bevolking uit de armoede te halen.

4. Aanscherping. Omdat met de huidige beloftes geen van de doelstellingen wordt gehaald, is in het voorlopige akkoord een mechanisme ingebouwd om elke vijf jaar reducties te beoordelen en te verscherpen. Rijke landen willen wel, maar het mechanisme moet dan ook gelden voor opkomende economieën. Die weigeren tot nu. Ze willen dwang voor rijke landen en vrijwilligheid voor henzelf.

5. Langetermijndoel. Onzekerheid bestaat nog over de vraag waar al die maatregelen toe moeten leiden. Er is een term bedacht: ‘broeikasgasemissieneutraliteit’, wat in de tweede helft van de eeuw bereikt moet zijn. In een eerdere versie van de tekst stonden nauwkeurige getallen: een reductie van 70-95 procent in 2050 ten opzichte van 2010. Volgens Steffen Kallbekken van het Noorse klimaatonderzoeksbureau CICERO zijn „de met de wetenschap consistente opties vervangen door vage formuleringen”. De VS en opkomende economieën zijn geen voorstander van afrekenbare bindende doelstellingen.

6. Juridische status. De VS hebben zich erbij neergelegd dat het akkoord van Parijs juridisch bindend wordt. Maar dat hebben ze pas gedaan nadat de individuele reductiedoelstellingen eruit zijn verdwenen. Velen beschouwen dit als een ernstige verzwakking van het akkoord. Maar volgens Edward Cameron van de organisatie We Mean Business maakt het niet uit, omdat de verwachting is dat landen zich wel aan de doelstellingen zullen houden. Ze willen alleen niet dat andere landen hen daarop kunnen afrekenen. Bovendien heeft het bedrijfsleven, dat veel van de doelstellingen moet uitvoeren, meer vertrouwen in nationale wetgeving, dan in internationale verdragen.

7. Financiën. En steeds speelt de vraag: wie gaat het betalen. Rijke landen eisen van de grote ontwikkelingslanden ook een bijdrage. Die willen dat alleen op vrijwillige basis.